The Best of ...Neuroloog Jan B. Hommel: De Zondvloed

Beantwoord door katertje in topic The Best of ...Neuroloog Jan B. Hommel: De Zondvloed

Posted 1 dag 3 uren geleden #59992
 

I’m gonna say everything that I need to say
Although you’ve taken everything I need away
I’m gonna take you to the place I need to go
We’re all just walkin’ through this darkness on our own

War on Drugs, I don’t live here anymore

 

Het is begin januari als ik in de auto zit samen met mijn dochter en haar vriendinnetje, om het meisje terug te brengen naar een dorpje dat zo’n 10 kilometer verderop ligt. Het gekwetter van de twee meisjes op de achterbank dringt nauwelijks tot me door. Het is het einde van een stralende winterdag: in het oosten verandert de diepblauwe lucht naar geleidelijk naar zwart, en in het westen gaat het blauw over in prachtige schakeringen van rood-oranje licht, daar waar de zon al achter de horizon is verdwenen. Het is weer bijna avond, en er komt wéér een nacht. En vervolgens komt het deel van de dag waar ik het minst naar uitkijk, en die het liefst slapende door zou brengen: de ochtend. Het is het meest nutteloze deel van de dag, enkel en alleen geschikt om de kwade geesten van de nacht het cerebrale pand uit te jagen. Waar ze de volgende nacht gewoon weer in terug sluipen.

Hoe nu verder? Mijn dagen als praktiserend arts zijn geteld. Te uitgesproken. Te non-conformistisch. Niet in staat om zich aan kledingvoorschriften, richtlijnen en protocollen te houden die door de hogere goden in de geneeskunde in elkaar worden geflanst. Of deze protocollen en richtlijnen zinvol zijn of niet, doet niet ter zake. Zo lang ze maar gevolgd worden. Geprotocolleerd wordt er veel in de geneeskunde, nagedacht steeds minder. Want waar het protocol begint, eindigt het nadenken.

Ik ben terug op de afdeling neurologie van een van de ziekenhuizen waar ik nog niet zo lang geleden waarnam. Een 87-jarige vrouw staat op het punt om overgeplaatst te worden naar het verpleeghuis. Ze is halfzijdig verlamd, niet in staat zich verbaal te uiten, en het is maar de vraag of ze ons begrijpt. Een afasie. En een ernstige ook. Ik heb het de familie uitgelegd, en ik zie een van haar zonen, zelf al dik in de zestig, zachtjes zijn hoofd schudden:

“Moet dat nog allemaal? Ik weet zeker dat moeder dit niet gewild zou hebben.”

Ik voel met hem mee, want voor mijn gevoel heeft hij gelijk. Waarom moet dit allemaal nog?

Ik weet het niet.

Blijkbaar heeft God, of wie dan ook, niet heel goed nagedacht over het einde van een mensenleven. En valt daarom met enige regelmaat het ene orgaan (veel) eerder uit dan het andere, waar je zou willen dat ze van de ene dag op de andere, in goed onderling overleg en in volle harmonie, er samen in één keer de brui aan geven. En samen de afgrond van het multi-orgaanfalen inspringen. Eind goed, al goed. Maar die interne communicatie ontbreekt nogal eens tussen de verschillende organen in het lichaam. De ogen zien nog goed, maar de oren laten het afweten. De nieren vallen langzaam droog, maar het hart boemelt nog rustig door. En al is het brein allang de weg kwijt, de benen blijven de geijkte rondjes lopen.

Nee, dat einde, daar is niet goed over nagedacht. Dat had toch een stuk netter, korter en krachtiger gekund. Niet een houdbaarheidsdatum voor ieder afzonderlijk orgaan, maar gewoon een stempel op het geheel, met een duidelijke vervaldatum. Zodat er daarna gewoon afgewerkt en opgeruimd kan worden.

“Waarom moet dat allemaal nog met moeder.”

Van mij hoeft het allemaal niet. Maar ik heb dit niet bedacht. En ik kan er niets aan veranderen. Het leven stokt en stottert, alvorens het lichaam en de geest er definitief de brui aan geven. Wie ben ik om dat te willen veranderen? Dat is dan ook mijn antwoord op de vraag van de zoon. Hij begrijpt het wel. Ik zou zijn moeder dit willen besparen, maar dat ligt niet binnen mijn mogelijkheden. Ik kan het lijden alleen verlichten, maar moeder moet zelf het laatste stukje afleggen. Op eigen kracht. En alleen.

In Duitsland heb ik geleerd dat als patiënt het ziekenhuis verlaat, de ontslagbrief klaar moet zijn. Zodat de volgende dokter weet wat er loos is met de bewuste persoon, wat er met de persoon gebeurd is, wat voor effect dat heeft gehad, en wat er van patiënt – ondanks of dankzij de dokter – overgebleven is, en wat wij in onze wijsheid bedacht hebben wat er allemaal nog aan medicatie in het kreupele restje mens gestopt moet worden.

En dat is nog heel wat bij moeder.

Zo krijgt zij niet alleen twee bloedverdunners, nee, moeder krijgt ook nog een plaspil, oeps, nee, zelfs twee, een middel om de cholesterol te verlagen, een snufje van een antipsychoticum om de onrust te bestrijden, en natuurlijk ook een slaappil. En warempel, ook paracetamol blijkt nog dagelijks door de voedingssonde te worden gepropt. Voor de zekerheid, ook al laat ze geen enkel teken van pijn zien. De laatste reis mag kan blijkbaar niet gemaakt worden zonder een indrukwekkende stapel aan pillen en poeders.

Ik vraag de arts-assistent:

“Wat wil je eigenlijk bereiken met al deze medicatie?”

Ze kijkt me niet begrijpend aan.

Ik schud, enigszins geërgerd, zachtjes mijn hoofd: “Wat is je doel? Iemand moet minstens een aantal jaren een statine (cholesterolverlagend geneesmiddel) slikken om er mogelijk enig voordeel van te hebben qua overleving. Als dat al zo is. Twee bloedverdunners? Echt? Hoeveel brein is er bij haar nog over dan? Me dunkt dat dat kleine beetje dat er nog van over is ook wel met één bloedverdunnertje toe kan, denk je niet? En dan nog een tweetal diuretica (plaspillen)… Mag ze niet overlijden aan de gevolgen van een hoge bloeddruk? Wil je het hart nog wat langer in ‘goede conditie’ houden? Wat wil je eigenlijk bereiken met al die medicatie?”

“Ik weet niet…”, stamelt het arme meisje. De witte jas is nu nog veel te groot voor haar.

“Vraag je je wel eens af wat het effect is van al die medicatie die ze nu van jou bij ontslag meekrijgt? Moet ze nog langer leven? Denk je dat ze morgen weer vrolijk een kopje theedrinkt met de verzorgenden in het verpleeghuis? En ze de oren van het hoofd kletst? Mag ze op haar 87e levensjaar, met een verwoest brein, binnenkort overlijden? Iets dat toch staat te gebeuren, ongeacht hoeveel pillen en poeders je door de sonde gietert? Waarom dan nog al deze pillen? Moet ze echt nog langer leven?”

Het arme meisje kleurt tot in haar hals. Ze heeft inmiddels minstens twintig soortgelijke ontslagbrieven geschreven, maar heeft er blijkbaar nooit over nagedacht. Ze weet het echt niet. En heeft geen woorden voor haar onwetendheid.

“Ik kan er niets aan doen. Zo staat het nu eenmaal in het protocol.”

En zo is dat. Het protocol. Niet nadenken, gewoon doen.

Dat deze nog jonge dokter dit gedachteloos uitvoert is één ding. Maar dat vele ervaren collega’s dit even gedachteloos accorderen, is nog veel erger. Een beetje verpleeghuisarts aan de ontvangende kant van deze ernstig geestelijk en lichamelijk kreupele mensen kan niet anders dan concluderen dat de heren en dames artsen in het ziekenhuis volstrekt van God los zijn geraakt. En dat zijn we ook.

Mevrouw verlaat het pand met een klein beschaafd handtasje aan medicatie. Alleen medicatie die hopelijk het lijden verzacht, en haar in ieder geval slapend de nacht doorbrengt. Ik weet uit eigen ervaring wat voor een verschrikking het is om mentaal stuurloos, wakend de nacht door te moeten brengen, en het lijkt me niet meer dan een vorm van empathie om haar tenminste dat te besparen. Van mij hoeft ze niets meer. Ik ga niet over de dood, en ik ga niet over het leven. Maar ik ga wel over de ontslagmedicatie.

Dat wil zeggen: ik ging over de ontslagmedicatie. Toen nog wel. Nu ga ik alleen nog over mijn eigen medicijndoos. Die ik wekelijks zorgvuldig vul, en er af en toe een beetje mee experimenteer. Een snufje meer van dit, een snufje minder van dat. Overigens niet altijd met een goed effect, maar dat is niet erg. Er is in ieder geval een persoon die erover nadenkt. Ikzelf. Zonder het protocol te raadplegen. En door de bank genomen, breng ik het er beter af dan mening dokter die mij behandelde. Tenminste, dat denk ik.

Opnieuw geesten uit het verleden, die me soms achtervolgen en soms troosten. Terug naar het verpleeghuis waar ook de polikliniek gevestigd was van het ziekenhuis waar ik jaren geleden waarnam. Op weg naar een consult in het verpleeghuis zie ik op de gang een volledig naakte oude vrouw, bij wie geen draadje vlees meer op de botten zit. Zelfs haar gezicht heeft al de vorm van een doodskop, waar voor de vorm nog wat huid overheen getrokken is. Ze ligt met de ogen dicht bewegingsloos op een brancard met gaatjes. De harde ziekenhuisdeken die over haar heen lag, is van haar afgegleden, en ze ligt op een lel huid die vroeger haar borst moet zijn geweest. Heel even denk ik dat ze al dood is, maar dan realiseer ik me dat ze voor de douche staat, te wachten op haar beurt. En wel gewoon op de gang. De menselijke waardigheid snelt de begrafenisondernemer vooruit, en staat al bij de hemelpoort te wachten, alvorens het overige deel van de lichamelijke vergane glorie aankomt. Dit pakketje vel en botten is ooit geboren, heeft ooit voor het eerst liefgehad, en waarschijnlijk ooit kinderen gebaard. Wat ervan over is, staat hier kaal, vergeeld en vergaan op de gang. Geestelijk al dood, maar dat hart, hé. Dat weet maar niet van opgeven.

Ik pak de deken van de grond en dek haar weer toe. Ik weet niet eens of ze het merkt. Heel even gaan de ogen open, maar ze ziet me niet. Ze ziet niets meer. De afzonderlijke organen kraken en piepen dat het een lieve lust is, maar een gezamenlijk besluit over het naderende einde werd nog niet genomen, elk orgaan rammelt en rochelt nog in het eigen ritme. God, waarom heeft u haar verlaten?

“Ach Heer, zou u mij dit willen besparen? Dat ik eindig op de gang van een verpleeghuis, open en bloot, lubberend, leeg en kaal, liggend op een plastic plaat met gaatjes, wachtend op een warme douche, terwijl mijn hart nog klopt, maar mijn geest het akelige restje nutteloos leven al lang heeft verlaten? Dat hoef ik niet, dat wil ik niet. Alstublieft? Wilt u mij genadig zijn? En ervoor zorgen dat mijn hart het opgeeft, voordat mijn geest dat doet? Zou u dat voor mij willen doen.”

75 jaar vrijheid en afwezigheid van oorlog heeft ons panisch gemaakt voor dood en verderf, aftakeling en ziekte, en onvermijdelijk, de dood. Die aankomende dood bannen we uit onze huizen, uit onze levens en uit onze gedachten. We stoppen de aankomende doden in het ziekenhuis, hospice en verpleeghuis. Daar hoort de dood thuis, niet in onze maatschappij, waar alles jong, mooi en hip moet zijn. Die wereld heeft geen tijd voor de dood, die moet dóór. Zelfs nadat de dood is gearriveerd besteden we zijn werk uit. Mensen worden opgebaard in de steriele gebouwen van begrafenisondernemers, en steeds minder bij mensen thuis. De dood wordt bezocht buitenshuis, maar is niet langer welkom thuis.

Op mijn tafeltje met boeken, bijeengehouden door het virtuele mandje ‘to read before I die’, ligt al maandenlang het boek van Jeroen Brouwers, ‘De zondvloed’. Het boek dat ik als 20- of 21-jarige gelezen heb, een verhaal waardoor ik weken-, zo niet maanden van mijn stuk werd gebracht. Zo intens. Zo triest. Wat was de drijfveer voor Brouwers om dit boek te schrijven? Hij wil zijn leven vastleggen: niet zijn eigen leven, maar zijn ‘geschreven’ leven. Wat echt is, doet niet ter zake, want voor Brouwers is het enige wat echt is, datgene dat hij aan het papier toevertrouwt. De geschreven waarheid, niet de ‘echte’ waarheid.

Wat maakt überhaupt dat mensen gaan schrijven? De wil om iets achter te laten? Niet voor mij. Het enige dat ik achterlaat dat van enige relevantie is, zijn mijn kinderen. De rest is stof dat opwaait in de rook van het crematorium. De vlam zal wel hoog oplaaien, gelijkend spek op de barbecue.

In de eerste hoofdstukken van ‘De Zondvloed’, zwalkt Brouwers dronken door een naargeestig, druilerig en somber bos. Zijn bos. Zijn huis is een bende, het is er donker, koud en de stank spat van het papier. Hij is op zoek naar zijn geliefde, Nachtschade. Zijn eigen huwelijk is op de klippen gelopen, en zijn nieuwe liefde keert terug naar haar echtgenoot. En dus blijft hij alleen achter. In zijn vochtige huis, in het natte bos, zichzelf verzuipend in de jenever. De lege flessen sodemietert hij door het raam naar buiten, waar ze wegzakken in de zompige bodem. Om niet gek te worden van eenzaamheid, belt hij soms in het diepst van de nacht willekeurige mensen, in de hoop om het stemgeluid te horen van iemand. Het maakt niet uit wie, als hij maar een stem hoort:

‘Hallo, hallo…”

Maar zuipen is niet aan mij besteed. Bovendien woon ik niet in een oude hut in het bos, maar aan de rand van een klein bedrijventerrein. Als ik al een fles jenever leeg zou krijgen, en ik zou proberen hem uit het raam te gooien, gooi ik letterlijk mijn eigen ruit in. Bovendien blijkt dat alcohol geen vat krijgt op mij, zelfs niet als mijn op hol geslagen gedachten door de nacht spoken, en ik alleen maar wens dat ik zou kunnen slapen, maar de slaap onbereikbaar is. Ik heb geen talent voor alcoholisme. Ik heb het geprobeerd, maar alcohol drijft me alleen maar dieper in de spelonken waar mijn angsten en zorgen heersen voor wat de toekomst nu nog voor mij schuilhoudt. Veel goeds kan het niet zijn.

“Ik leef in de toekomst”, zo sprak een beroemdheid wiens naam ik vergeten ben, “want dat is waar ik het grootste deel van de tijd die mij nog rest, door zal brengen.” Maar ik kijk niet uit naar de toekomst, de toekomst boezemt mij alleen maar angst in. Angst voor de wereld waarin ik mijn kinderen achter moet laten. Hoewel ik het geprobeerd heb, heb ik ook al niet het noodzakelijke talent om een goed stoïcijn te zijn: ik leef maar zelden in het hier en nu, maar leef vaak in spijt over het verleden, en in angst voor de toekomst. Je zou verwachten dat met het afnemen van de hoeveelheid toekomst, ook de angst zou afnemen. Maar dat is niet zo. De krimpende toekomst comprimeert de angst.

Geen TV meer. Radio alleen overdag, om de stilte te verdrijven als de kinderen naar school zijn. Soms is stilte aangenaam, soms verpletterend. Tientallen tabs die openstaan op de grote twee schermen voor mij. Alles wat ik nog wil lezen, alles wat ik nog wil begrijpen. Niet dat het van enig nut is. Net zomin als het overgrote deel van de tijd die ik in de medische wereld heb doorgebracht van enig nut is geweest. Pijntje hier, prikkeltje daar. Prikkeltje hier, pijntje daar.

Stapels papieren boeken op het tafeltje naast het bankstel, wachtend om gelezen te worden. Een zo mogelijk nog grotere stapel digitale boeken op mijn laptop en tablet. Het overgrote deel zal ik nooit kunnen lezen, omdat het me aan de tijd ontbreekt.

Ik ben terug bij af, terug bij het jongetje dat op de lagere school elke dag een grote doos boeken mee naar school zeulde, en ’s middags weer mee naar huis nam. Gevuld met boeken over oorlogstuig, vliegtuigen, marineschepen, maar ook verschillende leesboeken. Ik kon ze niet allemaal lezen, en sommige had ik meerdere keren gelezen. Ik wilde ze gewoon bij me hebben. Om ze op elk gewenst moment te kunnen lezen. De doos van vroeger is nu ingeruild voor de tablet, die ik tot voor kort ook overal mee naar toe nam. Ik heb nooit iets anders gedaan dan lezen in mijn vroege jeugd. Bij het verlaten van de lagere school werd ik voor de Nederlandse taal ingeschaald op het niveau van het gymnasium. Voor het overige zou zelfs de LTS nog een hele kluif worden, zo zei de CITO-toets. De meester wist wel beter, maar wist niet waar het met dat kleine dikke mannetje naar toe moest. Ik ging naar de MAVO, een steriele en strenge protestantse school in het dorp zeven kilometer verderop.

Waarom ik daarnaartoe ging weet ik zelf niet meer. Waarschijnlijk omdat het zo dicht mogelijk bij het ouderlijk huis was, ondanks dat ik een drukke weg over moest steken. Misschien zodat mijn moeder ons zo dicht mogelijk bij haar wilde houden, nadat mijn oudere broer omkwam toen hij bij het de weg op fietsen geschept werd door een te hard rijdende auto. Ik kan me geen dag herinneren dat ze niet zei: “Kiek ie goed uut?” Een bezwering van de dood, die ze geen dag over mocht slaan, of ze zou nog een kind verliezen. Zoals ik dat nu bij mijn dochter doe, als ze op haar fiets stapt. Ter bezwering van alle kwaad. Om de dood op afstand te houden.

Op afstand houden van mijn kinderen. Ik wil eerst.

Over de dood gesproken: Jeroen Brouwers schrijft dat iedere boom goed is om je aan op te knopen, iedere hoogte goed is om je van te pletter te storten, en ieder water goed is om je in te verdrinken. Vrolijke snuiter, die Brouwers. Hij had mijn broer kunnen zijn. Ik zie hem in mijn geheugen op bewegende beelden, inmiddels een oude man, nerveus, kettingrokend, maar nog steeds in leven. Blijkbaar heeft hij geen boom voldoende sterk ingeschat, geen hoogte hoog genoeg geacht, en geen water diep genoeg gevonden om zijn leven aan toe te vertrouwen. En dat nog wel terwijl een van zijn latere werken ‘De laatste deur’ heet, waarin een aantal schrijvers wordt beschreven die te ongeduldig waren om op de Dood te wachten, en er zelf een einde aan maakten. Ook dat boek staat op de lijst. Ik hoop dat ik er nog aan toe kom.

De ‘laatste deur’. Toch hout dus. Maar sterk hout, diep water en grote hoogten zijn aan mij niet besteed. Ik heb behoorlijk last van hoogtevrees, en ik zou vrezen dat de tak waaraan het touw vastgeknoopt is, niet sterk genoeg is. Je zal maar met tak en al naar beneden storten, en die vervolgens op je kop krijgen. Diepe wateren genoeg, maar de verdrinkingsdood schijnt een hele nare dood te zijn, dus ook die ambitie heb ik niet. En ook zonder de ene sigaret met de andere aan te steken, en ook zonder vele flessen jenever naar binnen te gieteren zal het me wel lukken om de overtocht over de Styx te maken. Het lukt zelfs de grootste sukkels, zo bewijst de geschiedenis steeds weer, dus ik zal er ook wel in slagen. Desnoods zwem ik de rivier zelf wel over, zolang ik maar niet verdrink.

Mijn vader vertelde dat een oude buurman vele malen klagend bij zijn ouders thuiskwam dat hij het leven niet meer de moeite waard vond, en er een einde aan ging maken. Mij opa had niet veel op met klagende mensen, dus na de zoveelste keer het geweeklaag te hebben aangehoord, stelde hij voor om de buurman een handje te helpen: “Goa maor met noar de schuure. De balk’n bint stark genog, en ik heb ‘ok nog wel wat koetouw. Dan he’ij moar ‘ehad.” Maar zo moe van het leven was de buurman nog niet, en dus hij snelde het huis uit. Met die Bontes wist je het maar nooit, die ouwe Bonte zou zo maar eens de daad bij het woord kunnen voegen.  Om nooit meer terug te komen om te vertellen dat hij het leven beu was.

Psychotherapie op de boerderij. Weinig empathisch, maar zeer effectief. Soms zijn simpele behandelingen toch het allerbeste.

Terug naar het boek van Brouwers. Het opent met het volgende citaat van Kierkegaard:

‘De wereld kan worden verdeeld in mensen die schrijven en mensen die niet schrijven. Mensen die schrijven vertegenwoordigen de wanhoop en mensen die niet schrijven keuren dit af en geloven dat zij een grotere wijsheid bezitten – en toch, als zij konden schrijven, dan zouden zij hetzelfde schrijven. In de grond zijn allen even wanhopig, maar wanneer men niet de kans heeft door zijn wanhoop groot te worden, is het niet de moeite waard zijn wanhoop te laten blijken. Is dit wat het betekent de wanhoop te hebben overwonnen?’

Dit is de rauwe werkelijkheid. Brouwers schrijft uit pure wanhoop. Zoals ik dat deed. En zoals ik dat doe. Wie eenmaal de fout heeft gemaakt te beginnen met schrijven, kan niet meer niet-schrijven. Ik schilder met ruwe woorden, met lange halen en grove streken. Geen dure woorden, geen hoogdravende gedachten. Want ik heb haast, ik heb niet veel tijd meer. Ik haal mijn woorden bij de kringloopwinkel voor soms al lang vergeten auteurs, waar hun afgedankte gedachten en verhalen naar toe zijn gebracht. Gedachten en verhalen, regelmatig afkomstig van mensen die zelf het crematorium al verticaal hebben verlaten. Wier geschiedenis en leven al in rook zijn opgegaan. Of de wortels van de planten in het zorgvuldig geordende tuintje op hun buik verzorgen.

Ik schrijf om mijn melancholie te pletter te laten vallen, om mijn zwartgalligheid op te knopen aan een tak van een eikenboom die stevig genoeg is om hem te dragen, en om mijn angsten en zorgen te verzuipen in het diepste water dat ik vinden kan.

Zodat ikzelf op veilige afstand blijf van grote bomen, grote hoogten en diepe wateren.

Schrijven dus. Uit wanhoop. Pure wanhoop.

 

 

Geplaatst op18/01/2023
Jan Bonte, Willem en Tom: sektarisme viert hoogtij in tijden van despotie

door katertje

Gelieve Inloggen of een account aanmaken om deel te nemen aan het gesprek.

Beantwoord door katertje in topic The Best of ...Neuroloog Jan B. Hommel: De Zondvloed

Posted 1 dag 3 uren geleden #59991
 

I’m gonna say everything that I need to say
Although you’ve taken everything I need away
I’m gonna take you to the place I need to go
We’re all just walkin’ through this darkness on our own

War on Drugs, I don’t live here anymore

 

Het is begin januari als ik in de auto zit samen met mijn dochter en haar vriendinnetje, om het meisje terug te brengen naar een dorpje dat zo’n 10 kilometer verderop ligt. Het gekwetter van de twee meisjes op de achterbank dringt nauwelijks tot me door. Het is het einde van een stralende winterdag: in het oosten verandert de diepblauwe lucht naar geleidelijk naar zwart, en in het westen gaat het blauw over in prachtige schakeringen van rood-oranje licht, daar waar de zon al achter de horizon is verdwenen. Het is weer bijna avond, en er komt wéér een nacht. En vervolgens komt het deel van de dag waar ik het minst naar uitkijk, en die het liefst slapende door zou brengen: de ochtend. Het is het meest nutteloze deel van de dag, enkel en alleen geschikt om de kwade geesten van de nacht het cerebrale pand uit te jagen. Waar ze de volgende nacht gewoon weer in terug sluipen.

Hoe nu verder? Mijn dagen als praktiserend arts zijn geteld. Te uitgesproken. Te non-conformistisch. Niet in staat om zich aan kledingvoorschriften, richtlijnen en protocollen te houden die door de hogere goden in de geneeskunde in elkaar worden geflanst. Of deze protocollen en richtlijnen zinvol zijn of niet, doet niet ter zake. Zo lang ze maar gevolgd worden. Geprotocolleerd wordt er veel in de geneeskunde, nagedacht steeds minder. Want waar het protocol begint, eindigt het nadenken.

Ik ben terug op de afdeling neurologie van een van de ziekenhuizen waar ik nog niet zo lang geleden waarnam. Een 87-jarige vrouw staat op het punt om overgeplaatst te worden naar het verpleeghuis. Ze is halfzijdig verlamd, niet in staat zich verbaal te uiten, en het is maar de vraag of ze ons begrijpt. Een afasie. En een ernstige ook. Ik heb het de familie uitgelegd, en ik zie een van haar zonen, zelf al dik in de zestig, zachtjes zijn hoofd schudden:

“Moet dat nog allemaal? Ik weet zeker dat moeder dit niet gewild zou hebben.”

Ik voel met hem mee, want voor mijn gevoel heeft hij gelijk. Waarom moet dit allemaal nog?

Ik weet het niet.

Blijkbaar heeft God, of wie dan ook, niet heel goed nagedacht over het einde van een mensenleven. En valt daarom met enige regelmaat het ene orgaan (veel) eerder uit dan het andere, waar je zou willen dat ze van de ene dag op de andere, in goed onderling overleg en in volle harmonie, er samen in één keer de brui aan geven. En samen de afgrond van het multi-orgaanfalen inspringen. Eind goed, al goed. Maar die interne communicatie ontbreekt nogal eens tussen de verschillende organen in het lichaam. De ogen zien nog goed, maar de oren laten het afweten. De nieren vallen langzaam droog, maar het hart boemelt nog rustig door. En al is het brein allang de weg kwijt, de benen blijven de geijkte rondjes lopen.

Nee, dat einde, daar is niet goed over nagedacht. Dat had toch een stuk netter, korter en krachtiger gekund. Niet een houdbaarheidsdatum voor ieder afzonderlijk orgaan, maar gewoon een stempel op het geheel, met een duidelijke vervaldatum. Zodat er daarna gewoon afgewerkt en opgeruimd kan worden.

“Waarom moet dat allemaal nog met moeder.”

Van mij hoeft het allemaal niet. Maar ik heb dit niet bedacht. En ik kan er niets aan veranderen. Het leven stokt en stottert, alvorens het lichaam en de geest er definitief de brui aan geven. Wie ben ik om dat te willen veranderen? Dat is dan ook mijn antwoord op de vraag van de zoon. Hij begrijpt het wel. Ik zou zijn moeder dit willen besparen, maar dat ligt niet binnen mijn mogelijkheden. Ik kan het lijden alleen verlichten, maar moeder moet zelf het laatste stukje afleggen. Op eigen kracht. En alleen.

In Duitsland heb ik geleerd dat als patiënt het ziekenhuis verlaat, de ontslagbrief klaar moet zijn. Zodat de volgende dokter weet wat er loos is met de bewuste persoon, wat er met de persoon gebeurd is, wat voor effect dat heeft gehad, en wat er van patiënt – ondanks of dankzij de dokter – overgebleven is, en wat wij in onze wijsheid bedacht hebben wat er allemaal nog aan medicatie in het kreupele restje mens gestopt moet worden.

En dat is nog heel wat bij moeder.

Zo krijgt zij niet alleen twee bloedverdunners, nee, moeder krijgt ook nog een plaspil, oeps, nee, zelfs twee, een middel om de cholesterol te verlagen, een snufje van een antipsychoticum om de onrust te bestrijden, en natuurlijk ook een slaappil. En warempel, ook paracetamol blijkt nog dagelijks door de voedingssonde te worden gepropt. Voor de zekerheid, ook al laat ze geen enkel teken van pijn zien. De laatste reis mag kan blijkbaar niet gemaakt worden zonder een indrukwekkende stapel aan pillen en poeders.

Ik vraag de arts-assistent:

“Wat wil je eigenlijk bereiken met al deze medicatie?”

Ze kijkt me niet begrijpend aan.

Ik schud, enigszins geërgerd, zachtjes mijn hoofd: “Wat is je doel? Iemand moet minstens een aantal jaren een statine (cholesterolverlagend geneesmiddel) slikken om er mogelijk enig voordeel van te hebben qua overleving. Als dat al zo is. Twee bloedverdunners? Echt? Hoeveel brein is er bij haar nog over dan? Me dunkt dat dat kleine beetje dat er nog van over is ook wel met één bloedverdunnertje toe kan, denk je niet? En dan nog een tweetal diuretica (plaspillen)… Mag ze niet overlijden aan de gevolgen van een hoge bloeddruk? Wil je het hart nog wat langer in ‘goede conditie’ houden? Wat wil je eigenlijk bereiken met al die medicatie?”

“Ik weet niet…”, stamelt het arme meisje. De witte jas is nu nog veel te groot voor haar.

“Vraag je je wel eens af wat het effect is van al die medicatie die ze nu van jou bij ontslag meekrijgt? Moet ze nog langer leven? Denk je dat ze morgen weer vrolijk een kopje theedrinkt met de verzorgenden in het verpleeghuis? En ze de oren van het hoofd kletst? Mag ze op haar 87e levensjaar, met een verwoest brein, binnenkort overlijden? Iets dat toch staat te gebeuren, ongeacht hoeveel pillen en poeders je door de sonde gietert? Waarom dan nog al deze pillen? Moet ze echt nog langer leven?”

Het arme meisje kleurt tot in haar hals. Ze heeft inmiddels minstens twintig soortgelijke ontslagbrieven geschreven, maar heeft er blijkbaar nooit over nagedacht. Ze weet het echt niet. En heeft geen woorden voor haar onwetendheid.

“Ik kan er niets aan doen. Zo staat het nu eenmaal in het protocol.”

En zo is dat. Het protocol. Niet nadenken, gewoon doen.

Dat deze nog jonge dokter dit gedachteloos uitvoert is één ding. Maar dat vele ervaren collega’s dit even gedachteloos accorderen, is nog veel erger. Een beetje verpleeghuisarts aan de ontvangende kant van deze ernstig geestelijk en lichamelijk kreupele mensen kan niet anders dan concluderen dat de heren en dames artsen in het ziekenhuis volstrekt van God los zijn geraakt. En dat zijn we ook.

Mevrouw verlaat het pand met een klein beschaafd handtasje aan medicatie. Alleen medicatie die hopelijk het lijden verzacht, en haar in ieder geval slapend de nacht doorbrengt. Ik weet uit eigen ervaring wat voor een verschrikking het is om mentaal stuurloos, wakend de nacht door te moeten brengen, en het lijkt me niet meer dan een vorm van empathie om haar tenminste dat te besparen. Van mij hoeft ze niets meer. Ik ga niet over de dood, en ik ga niet over het leven. Maar ik ga wel over de ontslagmedicatie.

Dat wil zeggen: ik ging over de ontslagmedicatie. Toen nog wel. Nu ga ik alleen nog over mijn eigen medicijndoos. Die ik wekelijks zorgvuldig vul, en er af en toe een beetje mee experimenteer. Een snufje meer van dit, een snufje minder van dat. Overigens niet altijd met een goed effect, maar dat is niet erg. Er is in ieder geval een persoon die erover nadenkt. Ikzelf. Zonder het protocol te raadplegen. En door de bank genomen, breng ik het er beter af dan mening dokter die mij behandelde. Tenminste, dat denk ik.

Opnieuw geesten uit het verleden, die me soms achtervolgen en soms troosten. Terug naar het verpleeghuis waar ook de polikliniek gevestigd was van het ziekenhuis waar ik jaren geleden waarnam. Op weg naar een consult in het verpleeghuis zie ik op de gang een volledig naakte oude vrouw, bij wie geen draadje vlees meer op de botten zit. Zelfs haar gezicht heeft al de vorm van een doodskop, waar voor de vorm nog wat huid overheen getrokken is. Ze ligt met de ogen dicht bewegingsloos op een brancard met gaatjes. De harde ziekenhuisdeken die over haar heen lag, is van haar afgegleden, en ze ligt op een lel huid die vroeger haar borst moet zijn geweest. Heel even denk ik dat ze al dood is, maar dan realiseer ik me dat ze voor de douche staat, te wachten op haar beurt. En wel gewoon op de gang. De menselijke waardigheid snelt de begrafenisondernemer vooruit, en staat al bij de hemelpoort te wachten, alvorens het overige deel van de lichamelijke vergane glorie aankomt. Dit pakketje vel en botten is ooit geboren, heeft ooit voor het eerst liefgehad, en waarschijnlijk ooit kinderen gebaard. Wat ervan over is, staat hier kaal, vergeeld en vergaan op de gang. Geestelijk al dood, maar dat hart, hé. Dat weet maar niet van opgeven.

Ik pak de deken van de grond en dek haar weer toe. Ik weet niet eens of ze het merkt. Heel even gaan de ogen open, maar ze ziet me niet. Ze ziet niets meer. De afzonderlijke organen kraken en piepen dat het een lieve lust is, maar een gezamenlijk besluit over het naderende einde werd nog niet genomen, elk orgaan rammelt en rochelt nog in het eigen ritme. God, waarom heeft u haar verlaten?

“Ach Heer, zou u mij dit willen besparen? Dat ik eindig op de gang van een verpleeghuis, open en bloot, lubberend, leeg en kaal, liggend op een plastic plaat met gaatjes, wachtend op een warme douche, terwijl mijn hart nog klopt, maar mijn geest het akelige restje nutteloos leven al lang heeft verlaten? Dat hoef ik niet, dat wil ik niet. Alstublieft? Wilt u mij genadig zijn? En ervoor zorgen dat mijn hart het opgeeft, voordat mijn geest dat doet? Zou u dat voor mij willen doen.”

75 jaar vrijheid en afwezigheid van oorlog heeft ons panisch gemaakt voor dood en verderf, aftakeling en ziekte, en onvermijdelijk, de dood. Die aankomende dood bannen we uit onze huizen, uit onze levens en uit onze gedachten. We stoppen de aankomende doden in het ziekenhuis, hospice en verpleeghuis. Daar hoort de dood thuis, niet in onze maatschappij, waar alles jong, mooi en hip moet zijn. Die wereld heeft geen tijd voor de dood, die moet dóór. Zelfs nadat de dood is gearriveerd besteden we zijn werk uit. Mensen worden opgebaard in de steriele gebouwen van begrafenisondernemers, en steeds minder bij mensen thuis. De dood wordt bezocht buitenshuis, maar is niet langer welkom thuis.

Op mijn tafeltje met boeken, bijeengehouden door het virtuele mandje ‘to read before I die’, ligt al maandenlang het boek van Jeroen Brouwers, ‘De zondvloed’. Het boek dat ik als 20- of 21-jarige gelezen heb, een verhaal waardoor ik weken-, zo niet maanden van mijn stuk werd gebracht. Zo intens. Zo triest. Wat was de drijfveer voor Brouwers om dit boek te schrijven? Hij wil zijn leven vastleggen: niet zijn eigen leven, maar zijn ‘geschreven’ leven. Wat echt is, doet niet ter zake, want voor Brouwers is het enige wat echt is, datgene dat hij aan het papier toevertrouwt. De geschreven waarheid, niet de ‘echte’ waarheid.

Wat maakt überhaupt dat mensen gaan schrijven? De wil om iets achter te laten? Niet voor mij. Het enige dat ik achterlaat dat van enige relevantie is, zijn mijn kinderen. De rest is stof dat opwaait in de rook van het crematorium. De vlam zal wel hoog oplaaien, gelijkend spek op de barbecue.

In de eerste hoofdstukken van ‘De Zondvloed’, zwalkt Brouwers dronken door een naargeestig, druilerig en somber bos. Zijn bos. Zijn huis is een bende, het is er donker, koud en de stank spat van het papier. Hij is op zoek naar zijn geliefde, Nachtschade. Zijn eigen huwelijk is op de klippen gelopen, en zijn nieuwe liefde keert terug naar haar echtgenoot. En dus blijft hij alleen achter. In zijn vochtige huis, in het natte bos, zichzelf verzuipend in de jenever. De lege flessen sodemietert hij door het raam naar buiten, waar ze wegzakken in de zompige bodem. Om niet gek te worden van eenzaamheid, belt hij soms in het diepst van de nacht willekeurige mensen, in de hoop om het stemgeluid te horen van iemand. Het maakt niet uit wie, als hij maar een stem hoort:

‘Hallo, hallo…”

Maar zuipen is niet aan mij besteed. Bovendien woon ik niet in een oude hut in het bos, maar aan de rand van een klein bedrijventerrein. Als ik al een fles jenever leeg zou krijgen, en ik zou proberen hem uit het raam te gooien, gooi ik letterlijk mijn eigen ruit in. Bovendien blijkt dat alcohol geen vat krijgt op mij, zelfs niet als mijn op hol geslagen gedachten door de nacht spoken, en ik alleen maar wens dat ik zou kunnen slapen, maar de slaap onbereikbaar is. Ik heb geen talent voor alcoholisme. Ik heb het geprobeerd, maar alcohol drijft me alleen maar dieper in de spelonken waar mijn angsten en zorgen heersen voor wat de toekomst nu nog voor mij schuilhoudt. Veel goeds kan het niet zijn.

“Ik leef in de toekomst”, zo sprak een beroemdheid wiens naam ik vergeten ben, “want dat is waar ik het grootste deel van de tijd die mij nog rest, door zal brengen.” Maar ik kijk niet uit naar de toekomst, de toekomst boezemt mij alleen maar angst in. Angst voor de wereld waarin ik mijn kinderen achter moet laten. Hoewel ik het geprobeerd heb, heb ik ook al niet het noodzakelijke talent om een goed stoïcijn te zijn: ik leef maar zelden in het hier en nu, maar leef vaak in spijt over het verleden, en in angst voor de toekomst. Je zou verwachten dat met het afnemen van de hoeveelheid toekomst, ook de angst zou afnemen. Maar dat is niet zo. De krimpende toekomst comprimeert de angst.

Geen TV meer. Radio alleen overdag, om de stilte te verdrijven als de kinderen naar school zijn. Soms is stilte aangenaam, soms verpletterend. Tientallen tabs die openstaan op de grote twee schermen voor mij. Alles wat ik nog wil lezen, alles wat ik nog wil begrijpen. Niet dat het van enig nut is. Net zomin als het overgrote deel van de tijd die ik in de medische wereld heb doorgebracht van enig nut is geweest. Pijntje hier, prikkeltje daar. Prikkeltje hier, pijntje daar.

Stapels papieren boeken op het tafeltje naast het bankstel, wachtend om gelezen te worden. Een zo mogelijk nog grotere stapel digitale boeken op mijn laptop en tablet. Het overgrote deel zal ik nooit kunnen lezen, omdat het me aan de tijd ontbreekt.

Ik ben terug bij af, terug bij het jongetje dat op de lagere school elke dag een grote doos boeken mee naar school zeulde, en ’s middags weer mee naar huis nam. Gevuld met boeken over oorlogstuig, vliegtuigen, marineschepen, maar ook verschillende leesboeken. Ik kon ze niet allemaal lezen, en sommige had ik meerdere keren gelezen. Ik wilde ze gewoon bij me hebben. Om ze op elk gewenst moment te kunnen lezen. De doos van vroeger is nu ingeruild voor de tablet, die ik tot voor kort ook overal mee naar toe nam. Ik heb nooit iets anders gedaan dan lezen in mijn vroege jeugd. Bij het verlaten van de lagere school werd ik voor de Nederlandse taal ingeschaald op het niveau van het gymnasium. Voor het overige zou zelfs de LTS nog een hele kluif worden, zo zei de CITO-toets. De meester wist wel beter, maar wist niet waar het met dat kleine dikke mannetje naar toe moest. Ik ging naar de MAVO, een steriele en strenge protestantse school in het dorp zeven kilometer verderop.

Waarom ik daarnaartoe ging weet ik zelf niet meer. Waarschijnlijk omdat het zo dicht mogelijk bij het ouderlijk huis was, ondanks dat ik een drukke weg over moest steken. Misschien zodat mijn moeder ons zo dicht mogelijk bij haar wilde houden, nadat mijn oudere broer omkwam toen hij bij het de weg op fietsen geschept werd door een te hard rijdende auto. Ik kan me geen dag herinneren dat ze niet zei: “Kiek ie goed uut?” Een bezwering van de dood, die ze geen dag over mocht slaan, of ze zou nog een kind verliezen. Zoals ik dat nu bij mijn dochter doe, als ze op haar fiets stapt. Ter bezwering van alle kwaad. Om de dood op afstand te houden.

Op afstand houden van mijn kinderen. Ik wil eerst.

Over de dood gesproken: Jeroen Brouwers schrijft dat iedere boom goed is om je aan op te knopen, iedere hoogte goed is om je van te pletter te storten, en ieder water goed is om je in te verdrinken. Vrolijke snuiter, die Brouwers. Hij had mijn broer kunnen zijn. Ik zie hem in mijn geheugen op bewegende beelden, inmiddels een oude man, nerveus, kettingrokend, maar nog steeds in leven. Blijkbaar heeft hij geen boom voldoende sterk ingeschat, geen hoogte hoog genoeg geacht, en geen water diep genoeg gevonden om zijn leven aan toe te vertrouwen. En dat nog wel terwijl een van zijn latere werken ‘De laatste deur’ heet, waarin een aantal schrijvers wordt beschreven die te ongeduldig waren om op de Dood te wachten, en er zelf een einde aan maakten. Ook dat boek staat op de lijst. Ik hoop dat ik er nog aan toe kom.

De ‘laatste deur’. Toch hout dus. Maar sterk hout, diep water en grote hoogten zijn aan mij niet besteed. Ik heb behoorlijk last van hoogtevrees, en ik zou vrezen dat de tak waaraan het touw vastgeknoopt is, niet sterk genoeg is. Je zal maar met tak en al naar beneden storten, en die vervolgens op je kop krijgen. Diepe wateren genoeg, maar de verdrinkingsdood schijnt een hele nare dood te zijn, dus ook die ambitie heb ik niet. En ook zonder de ene sigaret met de andere aan te steken, en ook zonder vele flessen jenever naar binnen te gieteren zal het me wel lukken om de overtocht over de Styx te maken. Het lukt zelfs de grootste sukkels, zo bewijst de geschiedenis steeds weer, dus ik zal er ook wel in slagen. Desnoods zwem ik de rivier zelf wel over, zolang ik maar niet verdrink.

Mijn vader vertelde dat een oude buurman vele malen klagend bij zijn ouders thuiskwam dat hij het leven niet meer de moeite waard vond, en er een einde aan ging maken. Mij opa had niet veel op met klagende mensen, dus na de zoveelste keer het geweeklaag te hebben aangehoord, stelde hij voor om de buurman een handje te helpen: “Goa maor met noar de schuure. De balk’n bint stark genog, en ik heb ‘ok nog wel wat koetouw. Dan he’ij moar ‘ehad.” Maar zo moe van het leven was de buurman nog niet, en dus hij snelde het huis uit. Met die Bontes wist je het maar nooit, die ouwe Bonte zou zo maar eens de daad bij het woord kunnen voegen.  Om nooit meer terug te komen om te vertellen dat hij het leven beu was.

Psychotherapie op de boerderij. Weinig empathisch, maar zeer effectief. Soms zijn simpele behandelingen toch het allerbeste.

Terug naar het boek van Brouwers. Het opent met het volgende citaat van Kierkegaard:

‘De wereld kan worden verdeeld in mensen die schrijven en mensen die niet schrijven. Mensen die schrijven vertegenwoordigen de wanhoop en mensen die niet schrijven keuren dit af en geloven dat zij een grotere wijsheid bezitten – en toch, als zij konden schrijven, dan zouden zij hetzelfde schrijven. In de grond zijn allen even wanhopig, maar wanneer men niet de kans heeft door zijn wanhoop groot te worden, is het niet de moeite waard zijn wanhoop te laten blijken. Is dit wat het betekent de wanhoop te hebben overwonnen?’

Dit is de rauwe werkelijkheid. Brouwers schrijft uit pure wanhoop. Zoals ik dat deed. En zoals ik dat doe. Wie eenmaal de fout heeft gemaakt te beginnen met schrijven, kan niet meer niet-schrijven. Ik schilder met ruwe woorden, met lange halen en grove streken. Geen dure woorden, geen hoogdravende gedachten. Want ik heb haast, ik heb niet veel tijd meer. Ik haal mijn woorden bij de kringloopwinkel voor soms al lang vergeten auteurs, waar hun afgedankte gedachten en verhalen naar toe zijn gebracht. Gedachten en verhalen, regelmatig afkomstig van mensen die zelf het crematorium al verticaal hebben verlaten. Wier geschiedenis en leven al in rook zijn opgegaan. Of de wortels van de planten in het zorgvuldig geordende tuintje op hun buik verzorgen.

Ik schrijf om mijn melancholie te pletter te laten vallen, om mijn zwartgalligheid op te knopen aan een tak van een eikenboom die stevig genoeg is om hem te dragen, en om mijn angsten en zorgen te verzuipen in het diepste water dat ik vinden kan.

Zodat ikzelf op veilige afstand blijf van grote bomen, grote hoogten en diepe wateren.

Schrijven dus. Uit wanhoop. Pure wanhoop.

 

 

Geplaatst op18/01/2023
Jan Bonte, Willem en Tom: sektarisme viert hoogtij in tijden van despotie

door katertje
Bijlagen:
De volgende gebruiker (s) zei dank u: dirko

Gelieve Inloggen of een account aanmaken om deel te nemen aan het gesprek.

Beantwoord door katertje in topic Attje Uilskuiken The Best of ...Neuroloog Jan B. Hommel

Posted 2 maanden 1 week geleden #59613
 
Attje Uilskuiken  20/11/2022 door Jan Bonte

“Look into the eyes of a chicken and you will see real stupidity. It is a kind of bottomless stupidity, a fiendish stupidity. They are the most horrifying, cannibalistic and nightmarish creatures in the world.”......Werner Herzog

Ja, ik weet het. De titel van dit stuk is weinig creatief, hoewel het de lading erg goed dekt. Het verschrikkelijke mens Attje Uilskuiken, die voortdurende kulkakelende kip van de Partij van de Arbeid, die weliswaar lid is van de Partij, maar het woord Arbeid in het woordenboek moet opzoeken, maar zelfs dan de betekenis ervan nog niet begrijpt. Dat vreselijke domme wicht dat bij gebrek aan welk talent dan ook bestuurskunde en overheidsmanagement studeerde in Leeuwarden, en daarna beleids- en organisatiewetenschappen aan de universiteit van Tilburg. Om vervolgens beroepsambtenaar en politica te worden. Dat u maar goed begrijpt waarom de overheid er in Nederland zo’n godvergeten puinhoop van maakt. Een kuiken hoort in een ei, en een kip in een ren. Dat is diervriendelijk en hopelijk doen ze dan nog iets nuttigs, namelijk eieren leggen. Maar dit kuiken zit niet in een ei, en produceert alleen maar kippenstront. En dan komt die kippenstront ook nog uit de opening die daar oorspronkelijk niet voor bedoeld was. Wat ze met die andere opening doet is mij dan ook een volstrekt raadsel.

Deze Attje Kuiken dacht te moeten zeggen dat Rob Elens zijn BIG-registratie in moest leveren omdat hij hydroxychloroquine voorschreef. Ik weet niet veel van dit geneesmiddel, ken de studies niet en heb het zelf nooit voorgeschreven. Maar Rob Elens was voorheen tropenarts en kent het middel wel, en deed in moeilijke omstandigheden precies datgene wat men van een goede huisarts mocht verwachten: hij improviseerde en besprak met zijn patiënten wat hij voor ze kon doen. Want die mensen werden ziek, soms ernstig ziek, en er was geen enkele behandeling voor COVID19, behalve zuurstof en beademing. Waarbij het ging om mensen die niet meer naar het ziekenhuis wilden omdat ze oud en ziek waren, en als het kon het liefste thuis wilden sterven. Hij vertelde dat hij ze hydroxychloroquine voor kon schrijven, maar niet kon garanderen dat het hielp. Dat heeft hij ze ook nooit beloofd. Dat heb ik uit de 1e hand, aangezien ik hem sprak bij de uitzending van Weltschmerz. Hij handelde zoals van een bekwaam, ervaren en empathisch huisarts verwacht mag worden. Elens als echte dorpsdokter, die het beste probeerde doen voor zijn patiënten, met de beperkte middelen die hij tot zijn beschikking had. Hij deed wat hij op dat moment het beste achtte om te doen, waarbij hij niet terug kon vallen op betrouwbare gegevens, besprak dit met zijn patiënten, en was eerlijk over wat hij wel wist en wat niet. En hij liet ze vervolgens zelf kiezen. Zoals dat hoort. En hij had ervaring met het geneesmiddel, omdat hij dit als tropenarts al veelvuldig had voorgeschreven. Een middel met bijwerkingen, zoals elk geneesmiddel, maar in handen van een ervaren arts ook een heel veilig middel. En al zijn patiënten werden beter. Ik weet niet of het door de hydroxychloroquine komt of door hemzelf, omdat al heel lang bekend is dat patiënten die hun dokter vertrouwen, het veel beter doen dan de patiënten die geen vertrouwen in hun arts hebben. En zijn patiënten vertrouwden hem, iets waarvan het grote belang door domme uilskuikens niet begrepen wordt.

Want Attje Uilskuiken meende te moeten zeggen dat zijn BIG-registratie afgepakt moest worden. En volgens Hugo de Jonge moest hij op zijn vestje gespuugd worden. En zo was er nog een legbatterij voor platvloerse meningen en domme standpunten, waarvan de bewoners moord en brand schreeuwden. Bevolkt door intellectuele en politieke plofkippen, die nog nooit een streepje daglicht van het echte leven hebben gezien, zelf amper de voor- en achterkant van een mondkapje kunnen onderscheiden, en hevige pijn aan hun anus krijgen, omdat ze nog te dom zijn om te weten dat een zetpil eerst uit zijn verpakking moet worden gehaald. Dat laatste verzin ik overigens niet. Het slag mensen dat in de knoop zou raken met een hechtdraad, en nog geen hechtnaald in een naaldvoerder kunnen krijgen. En per ongeluk een patiënt vastnaaien n aan het bed, aangenomen dat ze weten hoe ze de naald in een patiënten moeten steken.

Deze mensen verdienen helemaal geen arts als Rob Elens. Ik gun ze een pratende protocolrobot in een witte jas, zoals ik die de afgelopen jaren veelvuldig aan het werk heb gezien. Artsen die nog net levende wrakken pillen tegen een hoge bloeddruk en cholesterolverlagers voorschrijven, terwijl ze niet meer dan maximaal enkele maanden te leven hebben. En je schaapachtig aankijken als je vraagt wat ze er eigenlijk mee denken te bereiken. Om vervolgens te stamelen dat ze dat gedaan hebben ‘omdat het in het protocol staat’. Waar het protocol begint, eindigt het nadenken. Maar voor mensen als Attje Uilskuiken is een protocol hiervoor helemaal niet nodig. Nog voordat het protocol zelfs maar aan de horizon opdoemt, is het nadenken al opgehouden. Als ze er al ooit mee begonnen is. Ik begrijp nu waarom er geen gebruiksaanwijzing voor uilskuikens is hoe hun ei te openen. Ze zouden hem niet begrijpen. Van sommige uilskuikens zou men hopen dat het ei sterker is dan hun veel te grote snavel, en ze gedwongen worden om in het ei te blijven zitten. Maar helaas, dat is bij Attje niet het geval. De snavel was groot, veel te groot voor de dunne kalkwand om voldoende weerstand te kunnen bieden.

Ik gun dit verschrikkelijke volk een dokter die niet mét, maar alleen óver ze praat. Ik zou willen dat ze een specialist treffen die geen oog heeft voor hen als mens, met al zijn angst, pijn en verdriet, maar ze beschouwd als een op zichzelf staande tumor van de dikke darm, een geïsoleerd slecht functionerend hart, een zelfstandig stel rochelende longen of een alleenstaand dementerend stel hersenen. Ik hoop dat ze een dokter treffen, die niet weet wat de woorden troost en verlichting betekenen, omdat genezing niet tot de mogelijkheden behoort. Ik wens ze een dokter toe die een tas vol met protocollen meeneemt, maar qua medemenselijkheid alleen een lege injectiespuit in de dokterstas heeft.

Ik gun dit domme kakelende uilskuiken een dokter die zich altijd en overal precies aan het protocol houdt als ze het uitschreeuwt van de pijn, en geen enkel geneesmiddel voorschrijft dat niet geregistreerd is voor de behandeling ervan. Zoals dat voor een groot deel van de medicatie geldt die gebruikt wordt voor de behandeling van neuropathische pijn. Ik mag lijden dat Attje Kuiken een arts treft die geen milligram morfine te veel voorschrijft, en zich keurig aan de maximale dosis midazolam houdt, als ze stikt in haar eigen bloed bij een grote longbloeding.[1] Want de dokters die zo handelen, zijn wél veilig voor het vreselijke stel papierschuivers van de Inspectie Gezondheid & Jeugd. Ja, die theoretische betweters die precies weten wat een arts wel en niet moet doen, maar wel graag tussen 8:30 en 16:30. Medische kletskundigen die nog nooit uit hun bed gebeld werden voor een spoedgeval, en zo ver als maar enigszins mogelijk is, uit de buurt van zieke mensen blijven. En als ze werkelijk geconfronteerd worden met ernstig disfunctionerende artsen maar liever de keutel intrekken, zoals ik zelf tot tweemaal toe heb mogen meemaken. Dan verordonneert men een onderzoek door de directie van een ziekenhuis, en laten ze toe dat de externe onderzoekscommissie niet met de melder mag praten. Zodat ik pas later hoor dat men zich een hoedje geschrokken was. Dát is wat de IGJ doet. Haar macht laten gelden waar het artsen betreft die naar beste eer en geweten handelen, maar liever de andere kant op kijken als ze wel in zouden moeten grijpen.

Ik wens al deze mensen toe dat hun behandelend arts zich exact aan de indicaties houdt waarvoor een geneesmiddel is geregistreerd, en dat deze nooit zal afwijkend van de voorgeschreven dosis, ongeacht of die dosis voor die specifieke persoon nu veel te laag is, of juist veel te hoog. Zodat ze creperen van de pijn, of zo suf als een konijn zijn, en alleen nog maar verward en groggy in bed kunnen liggen. Been there, done that. Het zal voor datgene wat hun lippen passeert geen enkel verschil maken. Het enige gevaar is dat ze nog veel meer last krijgen van hun overloopdiarree van inhoudsloos geblaat, omdat er harde fecolieten van gestolde domheid de uitgang blokkeren. Maar in ieder geval zijn deze protocolrobots veilig voor de IGJ, en mogen ze van het Uilskuiken hun BIG-registratie houden. En houden ze zelfs hun witje jasje smetteloos schoon, omdat er geen vaccinatiefanaticus in de buurt is die ze erop spuwt.

Wat is dat toch, dat juist de mensen die zelf nog nooit écht iets voor hun medemens hebben betekend, mensen die nog nooit écht iets bijgedragen hebben aan een betere wereld, en die nog nooit écht gezien hebben gezien wat ziekte en aftakeling met mensen doet, en écht niet weten wat dit aan angst en verdriet met zich meebrengt, zo’n onwaarschijnlijk grote waffel hebben en denken een zeer ervaren arts als Rob Elens de les te moeten lezen? Waar halen ze het lef in hun vuige donder vandaan?

Is het een idee om een kippenren neer te zetten bij de uitgang van de Tweede Kamer, waar dit kuiken naar hartenlust kan kakelen zonder dat iemand er last van heeft? En haan Hugo elke ochtend drie keer kan kraaien, om daarmee alle artsen te waarschuwen, zodat ze ver uit hun buurt kunnen blijven, en niet het gevaar lopen besmeurd worden met de grote hopen kippenstront die deze twee produceren?

En zou het niet verstandig zijn om dit vreselijke uilskuiken, deze afschuwelijke kulkip, ’s nachts terug te stoppen in een heel groot ei in de kippenren, waar ze ’s ochtends pas weer uitgehaald wordt? Zodat we in ieder geval niet na zonsondergang gehinderd worden door haar valse gekakel?

Of weet nog iemand een diervriendelijke manier om die veel te grote snavel te kappen, zodat ze ophoudt met veren pikken van artsen die wél hun sporen hebben verdiend?

 [1] www.medischcontact.nl/nieuws/dossiers/dossier/tuitjenhorn.htm

Alleen voor subscribers van tref.eu:
de onthullende naaktfoto van Attje, gespot in een Supermarkt..: Let op: SPOILER !
Dit bericht bevat vertrouwelijke informatie
Last Edit:2 maanden 1 week geleden door katertje
Bijlagen:
Laatst bewerkt 2 maanden 1 week geleden doordirko.
De volgende gebruiker (s) zei dank u: dirko

Gelieve Inloggen of een account aanmaken om deel te nemen aan het gesprek.

Beantwoord door katertje in topic The Best of ...Neuroloog Jan B. Hommel

Posted 2 maanden 3 weken geleden #59579
De Ondeugdelijke Deugers 

‘People often claim to hunger for truth, but seldom like the taste when it’s served up.’
George R.R. Martin

‘Er zijn mensen die alleen deugdzaam zijn omdat de kansen tot ondeugd ontbreken.’
Napoleon Bonaparte



Ik woon in een klein dorpje, eigenlijk een gehuchtje, met net iets meer dan duizend inwoners. Ik woon hemelsbreed hooguit een kilometer van de plek waar ik geboren ben. Ik heb een tijdje in Zwolle gewoond, maar was bij tijd en wijle meer op de boerderij te vinden dan in mijn flatje, in de destijds ruige buurt Holtenbroek. Natuurlijk heb ik in mijn Nijmeegse tijd dicht bij het ziekenhuis gewoond, maar als het er voor mij vrijdags opzat, rende ik zo snel als mijn korte beentjes mij konden dragen – en mijn oude Ford Scorpio mij kon rijden – terug naar de boerderij. “Terug naar de normale wereld”, zei ik eens tegen mijn opleider. Hij kon er niet om lachen. Het ouderlijk huis, waar mijn vrouw en ik het verbouwde woondeel – waar ‘opoe’ vroeger woonde – als weekendverblijf tot onze beschikking hadden. Ik heb er tot op mijn 40e gewoond, en onze oudste twee kinderen zijn er geboren.

Die weliswaar rekbare, maar tevens ondeelbare, navelstreng zal ik niet van een vreemde hebben. Mijn ouders hadden het oude woongedeelte eigenlijk voor zichzelf verbouwd, maar hebben er niet langer dan een dag ‘gewoond’. Om daarna terug te gaan naar hun eigen kleine woonhelft. Daar voelden ze zich thuis, en daar waar men zich thuis voelt, daar moet men blijven.

Vroeger, op de veilige boerderij, was het leven eenvoudig. En het was veilig. De boerderij was het ondoordringbare fort dat ons afschermde van de buitenwereld, en waar alleen de ons goed gezinde mensen binnen mochten komen. De ons minder goed gezinden zouden het zich niet in hun hoofd halen om dat te proberen. Dat was onze reputatie in het dorp, en ik geloof dat daar niet veel aan veranderd is: ‘Van die Bont’n ku’ij alles krieg’n, maar o wee aij ze teeg’n oe hebt.’

Mijn vader keek vanuit dat fort wel graag naar buiten. Elke avond na het melken van de koeien kwam hij steevast in de kleine woonkeuken om het journaal te zien, en om tien uur ’s avonds keek hij zonder uitzondering Brandpunt. En dan moest het stil zijn. Tussendoor ging hij even bij de ‘varkens kiek’n’ om te zien of alles rustig was in de stal en of alle dieren er wel goed bijlagen. En natuurlijk was de week niet compleet zonder het oordeel van G.B.J. Hiltermann: op zondag om 12:00 werd iedereen – of ie nu wilde of niet – bijgepraat over de ‘De Toestand in de wereld’. Nu zou je het een podcast noemen, maar toen was het nog gewoon GBJ Hiltermann op Hilversum 1.

Wie het waagde ongevraagd en ongewenst het fort binnen te dringen kreeg een behandeling die ze niet licht zouden vergeten: een opsporingsambtenaar die kwam controleren of alle dieren wel juist werden geregistreerd, werd opgesloten in een kamer en mocht er pas weer uit als hij klaar was. Hij kreeg geen begroeting, geen koffie en geen toegang tot het toilet. Toen hij klaar was en tegen mijn moeder zei dat hij ‘niets kon vinden’, keurde ze hem geen blik waardig: “Doar is de deurre. D’r uut, en d’r nooit meer in.”

Toen een ambtenaar kwam controleren of er wel een put onder de mestplaat zat, maar die niet kon zien omdat er regenwater op stond, zei mijn vader tegen hem, terwijl hij een paar stappen in zijn richting zette: “Ik kan oe d’r wel e’em op de kop in hol’n, dan ku’ij zelf goed zien woar ’t gat zit.” Het mannetje trok wit weg en vluchtte met de staart tussen de benen. Om daarna terug te keren met twee politieagenten – toen nog de gemeentepolitie – die mijn vader vermanend toespraken, om daarna zelf de volle laag te krijgen. En men vervolgens gevieren naar de mestplaats liep, de muizige ambtenaar op veilige afstand van mijn vader, dribbelend achter de twee uniformen, om bij de mestplaat bevestigd te zien dat deze inderdaad vol water stond, waarna mijn vader tegen het drietal zei: “Doar zit’ ‘et gat. Mu’k o’leu d’r nog e’em’ inhol’n?” Dat hoefde niet, zowel de heren van de Hermandad als ook de ambtenaar waren overtuigd. De laatste heeft zich nooit meer laten zien.

Mijn moeder, niet veel groter dan 1,50, die met een bezem twee politieagenten op de vlucht joeg door eerst een van de agenten met de bezem te lijf te gaan, en nadat deze schielijk de auto ingevlucht was om zo snel mogelijk weg te komen, daarna nog een deuk in de motorkap van de politieauto sloeg. Omdat mijn vader niet wilde blazen, aangezien hij nooit alcohol dronk. Het was nadat hij kinderen van het feestje ter ere van de verjaardag van mijn zusje had weggebracht, en het niet kon laten de politieauto die achter hem reed te provoceren door een paar keer te slingeren. De fout die de geüniformeerden maakten was hun auto bij ons op de oprit te parkeren, binnen het territorium van mijn ouders en vervolgens hem probeerden te commanderen. Dat valt over het algemeen niet goed in onze familie. Ze kwamen niet meer terug, zeer waarschijnlijk omdat ze de hoon en spot vreesden van hun collega’s, als ze zouden moeten vertellen dat ze door een boerinnetje van amper één meter vijftig lang, gewapend met een bezem, op de vlucht waren gejaagd. Het leverde haar de bijnaam op van mijn jongere broer: de ‘hellige geest’.

Als je behoorde tot de groep mensen die bij ons thuis welkom waren, kon je alles van mijn ouders krijgen. Timmerlui, arbeiders en scholieren die in het weekend hielpen werden goed behandeld, goed betaald en het kwam hen aan eten en drinken niets te kort. Ze kwamen graag, en het was bij ons thuis altijd een komen en gaan van mensen. Er werd gepraat, gedronken, gerookt en heel veel gelachen. En met enige regelmaat ook hevig ruzie gemaakt, waarbij we elkaar met enige regelmaat ook te lijf gingen. Daar is niets mis mee, zolang er geen doden en gewonden vallen.

Als je behoorde tot de groep mensen die in ongenade waren gevallen of die volgens mijn ouders niets te zoeken hadden op hun boerderij, het fort van de Bontes – lieden zoals ambtenaren, controleurs en politie, eigenlijk een ieder die dacht ze de wet voor te kunnen schrijven – viel een ijskoude en ronduit vijandige behandeling ten deel, en mochten soms blij zijn als ze tijdig het vege lijf konden redden. Mijn beide ouders waren enigszins explosief van aard, iets dat mij ook niet helemaal vreemd is, en wat ik bij mijn jongste zoon ongepolijst terugzie.

Bij ons graasden de geiten – hobbydieren – in de berm langs de weg, iets wat volgens een passerende agent niet verantwoord was, hoewel dit al tientallen jaren het gebruik onder de boeren was. Het kwam tot een hevige woordenwisseling waarbij ook de zwarte herdershond van mijn ouders zich niet onbetuigd liet. Waarop het heerschap in uniform meende te moeten dreigen met dat hij ‘de hond dood zou schieten als mijn vader hem niet bij zich zou houden.’ De herinnering aan mijn vader die ik wit zag worden van woede, iets dat niet heel vaak gebeurde en de blik in zijn ogen, toen hij een busdeksel pakte en liet weten dat “det is dan ok wel ’t leste wa’ij doet.” De agent liet zijn pistool in zijn holster. En ik denk dat dat beter was voor zijn gezondheid.

Mijn ouders waren duidelijk. Heel duidelijk.

Je deugt of je deugt niet.

Op de ochtend van zes november 2021 verslaap ik me terwijl mijn zoontje van tien moet volleyballen. We lopen samen de sporthal in, en natuurlijk heeft de volgzame en kritiekloze massa weer massaal het mondkapje opgezet, het mondkapje van de deugdzaamheid. Mijn zoontje, innemend, gevoelig maar ook een scherpe waarnemer, kijkt ongemakkelijk en wat angstig om zich heen: “Waarom heeft iedereen weer een mondkapje op, papa?” De intense woede borrelt in mij op als ik om me heen kijk: “Omdat we geregeerd worden door een aantal enorme zelfingenomen klootzakken, Boris.”

Even verder op staat de typische deugmens, warrig baardje, mondkapje op, joviaal te controleren op de QR-code: “Helemaal goed hoor, u mag naar binnen! U krijgt nog even een stempeltje, dan hoeft u niet steeds de pas te laten zien.” En geloof het of niet, de kleur van het stempeltje is geel. God houdt er soms een morbide gevoel voor humor op na. Ik mag niet naar binnen om mijn zoon naar de kleedkamer te brengen, ook al weet hij de weg niet. Ik explodeer inwendig, maar ik weet het te beperken tot de opmerking dat hij zich “de ballen uit de broek zou moeten schamen.” Meer stennis wil ik niet maken waar mijn zoon bij is, en met de allergrootste moeite weet ik me verder te beheersen.

Ik bel, nog nauwelijks bedaard, een van de ouders die op deze dag rijdt om te vragen of zij even wil controleren of Boris inderdaad de weg naar het team heeft gevonden. Daar heeft ze blijkbaar niet heel veel zin in, maar na enkele opmerkingen is het haar duidelijk dat ik vandaag geen bijster goed humeur heb. Ik vertel haar ook al vast dat als zij hier verder aan mee willen werken, mijn zoontje geen wedstrijden meer speelt, en dat ik niet meer rij.

“Oh, dus je vind dat omdat jij geen QR-code wilt halen, dat wij hier ook niet mogen zitten? Dat ben ik niet helemaal met je eens.” Het standaardantwoord van mensen die met ongemakkelijke waarheden geconfronteerd worden, als probeerden zij zuur geworden melk als karnemelk te verkopen.

Mijn antwoord zal ze niet licht vergeten: “De mensen die hier aan meewerken, zijn minstens even erg als diegenen die dit systeem invoeren. Jullie zijn geen haar beter dan de Duitsers die het wel best vonden dat de Joden niet op een bankje in het park mochten zitten, en later helemaal niet meer in het park mochten komen. Echt, jullie zijn geen haar beter. Jullie zijn de neue Übermenschen, ik de nieuwe Untermensch…” Ik confronteer haar met de uitspraak van Einstein: “The world will not be destroyed by those who do evil, but by those who watch them without doing anything.” (De wereld zal niet vernietigd worden door hen die kwaad doen, maar door hen die toekijken zonder iets te doen.)

Het blijft stil aan de andere kant van de lijn. Ik verbreek de verbinding en krijg na enkele minuten een kort berichtje: ‘Boris is op het veld.’ Daarna rij ik terug naar huis.

De afgelopen maanden heb ik veel over me heen gehad. Dat heeft zijn uitwerking niet gemist, en meer dan ooit realiseer ik me dat mijn ouders gelijk hadden: de mensheid valt in twee categorieën uiteen: zij die deugen, en zij die niet deugen. Het enige waar ik echt spijt van heb is dat ik 25 jaar van mijn leven verspild heb om een goede dokter te worden, voor al die mensen die nu klakkeloos en kritiekloos aan deze segregatie meewerken, actief of stilzwijgend. Het is de grootste fout die ik in mijn leven gemaakt heb. Het overgrote deel van deze mensen was het niet waard. En zijn het niet waard.

Ik had niet gedacht dat ik dat ooit zou zeggen.

En ondertussen stromen de ziekenhuizen en intensive care’s vol met gevaccineerden. Ik ben in de unieke omstandigheid dat verschillende verpleegkundigen – en sommige artsen – me op de hoogte houden van wat er werkelijk gebeurt in de ziekenhuizen. En wat ik hoor is alarmerend. Ambulances die met ernstig zieke mensen naar ziekenhuizen buiten de regio moeten rijden, en daarmee niet beschikbaar zijn voor de eigen regio, terwijl ze toch al een tekort aan mensen hadden. Ambulances met patiënten die in de garage moeten wachten omdat er geen plaats is voor hen op de SEH. Wederom her en der opnamestops omdat de SEH overstroomt, en er op de gang meerdere bedden staan met mensen waarvoor geen plaats is op de afdeling. Verpleegkundigen die mij vertellen dat ze in elke dienst een tot twee mensen tekortkomen, maar zelfs na smeekbedes via de WhatsApp er niemand komt, ook niet met het aanbod van dubbel salaris. En als ik deze mensen mag geloven ligt het aandeel gevaccineerden inmiddels rond de 80%. Alles op de vaccinatiekaart gezet en kansloos verloren. En nu met minder bedden op de afdeling en de IC in vergelijking met voor de crisis, omdat het personeel ontbreekt, en dat terwijl het grootste ziekteverzuim – klassiek het hoogst aan het eind van de herfst en in de winter – nog moet komen.

I couldn’t care less. Vele van mijn voormalige collega’s hebben dolenthousiast meegewerkt aan het invoeren van deze medische segregatie, gebaseerd op het al of niet ter beschikking willen stellen van het eigen lichaam aan de Staat. Zonder zich ook maar een moment te verdiepen in de materie. Zonder zich ook maar een moment te realiseren dat BigPharma het voor de zoveelste keer lukte zijn smoezelige koopwaar te verkopen als wetenschap. Zonder zich ook maar een moment te realiseren welke enorme schade ze veroorzaken aan het vertrouwen in artsen, door mee te werken aan dit beleid en hierin zelfs het voortouw nemen. Zonder zich ook maar een moment te realiseren dat ze de geschiedenis sprekend laten herleven. En nee, wederom niet als willoos slachtoffer van een politieke stroming, maar door wederom voor de muziek uit te willen lopen. En blijkbaar vertrouwden op een pardoes in de regering neergedwarrelde schoolmeester, die zich nu draaiend en liegend uit de door hemzelf gecreëerde hopeloze situatie probeert te redden. Maar al koopt hij honderd miljoen mondkapjes van Van Lienden, of probeert de hele maatschappij stil te leggen met QR-codes, het falen van het beleid is onafwendbaar. Man must bear the consequences he deserves. 

Toen ik de kans kreeg om deze uiterst conformistische medische wereld achter mij te laten, heb ik die kans met beide handen aangegrepen. Ik heb me al veel te lang en met de grootste moeite moeten schikken naar de grillen en de nukken van het Medisch Gilde. Ik ben erg duidelijk. Te duidelijk om te voldoen aan de voorschriften zoals die te lezen zijn in het ongeschreven Handboek van het Medisch Gilde. Een van die regels luidt: ‘Gij zult zwijgen en uw collega’s niet aanspreken op hun verantwoordelijkheid.’

Ik vind het vreselijk dat mijn kinderen dit alles mee moeten maken. Maar anderzijds is het maar goed dat ze geen vijftig hoeven te worden om te leren dat onder het dunne laagje van voorgewende deugdzaamheid niets anders schuilgaat dan desinteresse, eigenbelang, morele zwakte en gebrek aan ruggengraat.

Ik keer terug naar de indeling van de mensheid zoals mijn ouders die hanteerden: wie actief of passief aan deze tweedeling meewerkt, diegenen die nu enthousiast en joviaal QR-codes controleren, spinnend van plezier door de nieuwverworven macht, diegenen die hun biertje, hun festivalletje, hun etentje, hun voetbalwedstrijdje, hun bioscoopbezoekje of hun avondje uit belangrijker vinden dan vrijheid, autonomie en gelijke rechten voor iedereen, komen er bij mij niet meer in. Die mensen zijn niet meer welkom. Nu niet en de toekomst niet. Het enige dat ze van mij krijgen is een ijzig stilzwijgen en mijn diepe minachting. Als ik een hond had die ertoe in staat is, zou ik die op ze afsturen. Als ik een busdeksel had, zou dat als waarschuwing bij de voordeur liggen, naast de vijftand die er nu al staat. En indien gewenst wil ik ze alsnog de put onder hun eigen volgelopen mestplaat laten zien. Zodat ze verzuipen in hun eigen immorele mest.

Je deugt of je deugt niet.

Wie het chirurgisch mes weet te hanteren, weet feilloos de kanker van het gezonde weefsel te scheiden. Het warme mes snijdt moeiteloos door het grensvlak van mensen wiens moreel kompas wel, en wiens moreel kompas niet goed staat afgesteld. Waar het zaken als autonomie, vrijheid en gelijke rechten betreft, is er geen tussenweg. Het is het één óf het ander.

Ik observeer, ik registreer en ik documenteer. Niet voor mijzelf. Maar voor mijn nageslacht. Wie deugde er wel. Wie deugde er niet.

Het is zoals CJ Hopkins zei: “Pick a fucking side, and stick to it.”

Je deugt of je deugt niet.

 
janbhommel.nl/1679-2/

Koop nu hier De Gifbeker – De 20 beste blogs tot zover van Jan Bonte! – Jan B. Hommel (janbhommel.nl)  
Een mooi Sinterklaas - of Kerstcadeau 

Jan Bonte hoopt hiermee dat zijn kritieken voor het nageslacht bewaard zullen blijven. Ook al mocht zijn website misschien ook ‘gecanceld’ worden door ’the powers that be’.
Want dat wij in een uniek tijdsgewricht leven behoeft geen betoog. Maar zoals met alle tijden van temporaire waanzin zal ook deze tijd overwaaien. En als dan de rook van de coronapsychose opgetrokken is dan moeten wij daar, en niet voor het eerst in de geschiedenis, lering uit trekken. Jan hoopt met zijn boek, de eerste maar mogelijk niet de laatste, daar een flink steentje aan bij te dragen.
 
Last Edit:2 maanden 3 weken geleden door katertje
Laatst bewerkt 2 maanden 3 weken geleden doorkatertje.
De volgende gebruiker (s) zei dank u: dirko

Gelieve Inloggen of een account aanmaken om deel te nemen aan het gesprek.

  • dirko
  • dirko's Profielfoto Afwezig
  • Spammer
  • Spammer
  • Als iets niet kan, kan het tóch. Overste Ranft.
  • Thanks: 7659

Beantwoord door dirko in topic De deugdictatuur.., de links ervan:

Posted 2 maanden 3 weken geleden #59556
De url‘s uit voorgaand artikel: [1]  Complotdenker David Icke mag niet naar Nederland komen, besluit het kabinet. De Volkskrant, 3 november 2022.
[2]  Onkruid in de wetenschapstuin. Jan B. Hommel, 7 november 2020.
[3]  ‘Kutmarokkanen’ bezorgen Oudkerk hoofdpijn. Een Vandaag, 19-03-2002. [url] eenvandaag.avrotros.nl/item/kutmarokkane...n-oudkerk-hoofdpijn/ [/url]
[4]  Het Spook van Weimar. Een Democratie in Crisis. Raisa Blommestijn
[5]  Curriculum Vitae Roland Pierik. [url] unimaas.academia.edu/RolandPierik/CurriculumVitae [/url]
[6]  Skin in the Game. Nassim Nicholas Taleb; Random House USA inc., 2020.
[7]  Fraiman J, Erviti J, Jones M, et al. Serious adverse events of special interest following mRNA COVID-19 vaccination in randomized trials in adults. Vaccine. 2022;40(40):[url=tel:5798-5805]5798-5805[/url]. doi:10.1016/j.vaccine.2022.08.036
[8]  Benn, Christine Stabell and Schaltz-Buchholzer, Frederik and Nielsen, Sebastian and Netea, Mihai G. and Netea, Mihai G. and Aaby, Peter, Randomised Clinical Trials of COVID-19 Vaccines: Do Adenovirus-Vector Vaccines Have Beneficial Non-Specific Effects?. Available at SSRN: [url] ssrn.com/abstract=4072489 [/url] or  dx.doi.org/10.2139/ssrn.4072489
[9]  [url] twitter.com/Gert_van_Dijk [/url]
[10]  Directeur van KRO-NCRV wil Ongehoord Nederland uit het Omroepbestel. NOS, donderdag 22 september 2022.
[11]  Kamer: sneller ingrijpen tegen desinformatie bij publieke omroep zoals ‘racistische drek’ Ongehoord Nederland. WNL, 6 oktober 2022. [url] wnl.tv/2022/10/06/kamer-sneller-ingrijpe...ongehoord-nederland/ [/url]
[12]  Gerechtshof veroordeelt Wilders voor ‘minder Marokkanen’ uitspraak. De Rechtsspraak, 4 september 2020.
[13]  De ingevoerde Tweet ID is fout
[14]  Een politieke partij als Forum verbieden? Het is eerder gebeurd. Trouw, 25 oktober 2022.
[15]  Tevreden deel van Nederland regeert. Wierd Duk; De Telegraaf, 6 januari 2022. [url] www.telegraaf.nl/nieuws/1338760663/tevre...an-nederland-regeert [/url]
[16]  Alles moet wijken voor ‘wensnatuur’. Leon de Winter; De Telegraaf, 24 augustus 2022.
[17]  De Deugmensch. Jan B. Hommel. [url] janbhommel.nl/de-deugmensch/ [/url]
[18]  De leugen regeert. Jan B. Hommel. [url] janbhommel.nl/de-leugen-regeert/ [/url]
[19]  De Politicus. Jan B. Hommel. [url] janbhommel.nl/de-politicus/ [/url]
[20]  #Kutkaag. Jan B. Hommel. [url] janbhommel.nl/kutkaag/ [/url]
[21]  Inreisverbod complotdenker David Icke oogst kritiek van juristen. NRC, 4 november 2022.
[22]  Opinie: Een nieuwe pensioenwet zónder berekeningen met deze hoge inflatie? Niet doen! Pieter Omtzigt en Eric Bargamin. Volkskrant, 4 september 2022.
[23]  Rechtse Zweedse regering beëindigt gastvrije en groene politiek. Trouw 20 oktober 2022.
[24]  Macron vleugellam na verlies: ‘De vraag is of Frankrijk te regeren is’.
[25]  Presidentskandidaat Eric Zemmour schrijft helder, intelligent en erudiet. En hij verdraaid de hele geschiedenis. De Volkskrant, 7 april 2022.
[26]  Klimaatdiplomaten parkeren ‘dure bakken’ pal voor stadhuis op autovrij plein: “Konden ze niet met de fiets?” De Gelderlander, 4 november 2022. 
 

De draad geheel kwijt. Soms Bang, maar altijd Olufsen.!!

door dirko

Gelieve Inloggen of een account aanmaken om deel te nemen aan het gesprek.

Beantwoord door katertje in topic De deugdictatuur..

Posted 2 maanden 3 weken geleden #59555
De deugdictatuur
 

Ik had nog nooit van David Icke gehoord en ik heb geen enkel boek van hem gelezen. Maar blijkbaar is hij gevaarlijk. Volgens ons kabinet dan.[1] Waarom weet ik niet. Maar blijkbaar is hij zo gevaarlijk dat hij niet naar Nederland mag komen. De Volkskrant weet te melden dat hij gelooft dat een elite van reptielen de wereld bestuurt en dat hij antisemitische uitlatingen heeft gedaan. Of hij dat van die reptielen nu letterlijk of overdrachtelijk bedoelt weet ik niet, maar zelfs als hij het letterlijk bedoelt, lijkt het mij een vrij ongevaarlijk standpunt. Bovendien heb ik zo mijn twijfels over de betrouwbaarheid van de berichtgeving van de Volkskrant, iets waarvan ik mij vaag kan herinneren, dat ik me daarover wel eens in voorzichtige bewoordingen heb uitgelaten.[2]


Of David Icke ooit antisemitische uitspraken heeft gedaan weet ik ook niet, maar zelfs al zou dat zo zijn, vind ik dat hij die uitspraken moet kunnen doen, zolang hij er maar niet naar handelt. Ik meen dat er eens een lid van de PvdA was, tevens huisarts, die meende dat alle problemen in Amsterdam veroorzaakt werden door ‘die kutmarokkanen’. Dat mocht hij blijkbaar gewoon zeggen, in een wat al te opzichtige poging om stemmen te trekken.[3] En voor zover ik weet is hem de toegang tot ons land tot op de dag van vandaag nog steeds niet ontzegd. Het was diezelfde huisarts die graag gebruik maakte van de diensten van heroïnehoertjes, en in de middagpauze met liefde de ergotherapeut op zijn bureau in zijn huisartsenpraktijk doorsmeerde, terwijl zijn vrouw in de wacht stond. First things first. Zijn vrouw was psychiater. Zo zie je maar weer: nooit van je beroep je hobby maken. Maar van mij mag Oudkerk zijn leuter in elk heroïnehoertje steken die hij kan vinden, en zijn ergotherapeut zo vaak doorsmeren als hij – en de ergotherapeut – maar wil. Ik vind daar niks van, ik hoef zijn memoires niet te lezen, en ik hoef zijn kutsmoesjes niet aan te horen. Vrijheid, blijheid.

Ik kijk vrijwel nooit naar Ongehoord Nederland, al heb ik Raisa Blommestijn redelijk goed leren kennen in mijn tijd bij een zeker advocatenkantoor, en mag ik haar bijzonder graag. Ik vind haar sympathiek en slim, en ze heeft een proefschrift geschreven dat de moeite waard is om gelezen te worden.[4] Da’s meer dan menig andere rechtsfilosoof kan zeggen. Sommigen hebben vijf pagina’s nodig om hun CV te vullen, zonder ook maar iets van enige blijvende waarde na te laten.[5] Toch heeft zo’n CV wel degelijk waarde, want soms lukt het niet in één keer om de open haard aan te steken, maar in vijf pogingen zou het toch wel moeten lukken. Zelfs als de open haard aangestoken moet worden door een ‘Intellectual Yet Idiot’ (IYI).[6]

Ik heb slechts één keer meegewerkt aan een uitzending van Ongehoord Nederland, waarin ik iets heb gezegd over de mRNA-vaccins. Inhoudelijk heb ik daar nooit weerwoord op gehad: ik zei namelijk dat het deelnemen aan het vaccinatieprogramma tegen COVID-19 met een nieuwe vaccintechniek, hetzelfde is als deelnemen aan een loterij: je hoopt de hoofdprijs te winnen, namelijk niet ernstig ziek worden of doodgaan, maar zonder te weten wat het lot je gaat kosten. Over de kosten van het lot wordt nog stevig gesoebat, maar ik vermoed dat die prijs tegen gaat vallen.[7] En ook de hoofdprijs is niet helemaal datgene waar men op gehoopt had.[8] Wie een Mercedes verwacht, maar uiteindelijk in een Trabant in moet stappen, gaat toch enigszins teleurgesteld naar huis. Behalve sommigen dan, die denken nog steeds dat het om een Mercedes gaat, al was het maar omdat het rammelende barrel geleverd wordt met vijf keer twee wielen.[9]


En dus heb ik niets op Ongehoord Nederland tegen, maar ik kijk simpelweg geen TV meer. En dus ook niet naar Ongehoord Nederland. Het is inmiddels zo ver dat ik nauwelijks weet hoe ik het ding aan moet krijgen. Maar blijkbaar is Ongehoord Nederland een hele gevaarlijke omroep, want de directeur van de KRO-NCRV, Pieter Kuipers, wil dat de omroep uit het omroepbestel verwijderd wordt.[10] Volgens hem is de omroep ‘racistisch’. En hij was nog niet uitgesproken, of het bestuur van de Nederlandse Publieke Omroep vroeg het Commissariaat voor de Media om zich uit te spreken. Nee, vanzelfsprekend niet vóór Ongehoord Nederland, maar tégen. En natuurlijk wilde een meerderheid van de Tweede Kamper dat het sanctiebeleid van de publieke omroep wordt aangescherpt, want Ongehoord Nederland verspreidt blijkbaar ‘racistische drek’.[11]

Dan ken ik natuurlijk Geert Wilders van de Partij voor de Vrijheid (PVV). Geert Wilders zegt wel eens iets over méér of mínder Marokkanen.[12] Dat mocht hij niet, zo oordeelde het Gerechtshof Den Haag. ‘Kutmarokkanen’ mag wel, maar ‘minder Marokkanen’ blijkbaar niet. Dat laatste valt onder groepsbelediging, het eerste niet. Blijkbaar had hij niet genoeg ergotherapeuten doorgesmeerd, of niet genoeg heroïnehoertjes geneukt. Hij zegt ook wel eens iets over méér of minder patatten, maar vooralsnog heeft het Gerechtshof zich hier nog niet over uitgesproken.[13] Wellicht moet Wilders hiervoor eerst nog beoordeeld worden door een psychiater. Misschien kan de PvdA er eentje voor hem ritselen voor een vriendenprijsje. En er wellicht een uitgewoonde ergotherapeut bij doen, voor als Geert toch te veel (méér, véél meer) patatjes eet dan goed voor hem is, en er onverhoopt een hart- of herseninfarct aan overhoudt.

En dan is daar nog Thierry Baudet, die ik af en toe op social media voorbij zie komen, als hij zijn toespraken houdt voor een vrijwel lege Tweede Kamer. Ik vraag me wel eens af hoe fatsoenlijk het is van politici om niet tenminste één dag in de week acte de présence te geven ten tijde van een debat, om kennis te nemen van wat hij te vertellen heeft. Onafhankelijk van wat je van de inhoud vindt, lijkt het mij de kern van een democratie om de standpunten van je politieke opponenten aan te horen. Hoe dan ook, ondanks dat de heren en dames van dit kabinet en een groot deel van de oppositie dit fatsoen blijkbaar niet op kan brengen, weten ze des te beter wat er met Baudet en Forum voor Democratie moet gebeuren. Het gaat blijkbaar om een hele gevaarlijke partij, net zoals de méér-patatten partij van Geert Wilders dat blijkbaar is.

En dus gaan er stemmen op van ‘columnisten, juristen en rechtstaatdeskundigen’ om de PVV en Forum maar te verbieden. Dan gaat het natuurlijk om het intellectuele puikje van het volk, als we het hebben over ‘columnisten, juristen en rechtstaatdeskundigen’.[14] Dat zijn de mensen die ervoor zorgen dat de economie blijft draaien, en het zijn vanzelfsprekend de mensen die garant staan dat de Nederlander er thuis letterlijk warmpjes bij kan zitten, en dat de gemiddelde Nederlander zijn welverdiende boterham kan betalen. De mensen zonder wiens bijdrage alles Nederland onmiddellijk in de soep zou lopen, als zij hun werk zelfs maar één dag neer zouden leggen. Althans, zo gedragen ze zich en zo uiten ze zich. Over virtuele realiteit gesproken.

Nu zijn er natuurlijk mensen die de boeken van David Icke wél lezen en wél naar zijn toespraken luisteren. De kans dat ik daar nog aan toe kom is niet zo heel erg groot, aangezien mijn map ‘nog te lezen voordat ik doodga’ al zo ontzettend veel boeken bevat, dat ik er waarschijnlijk een significant deel van de eeuwigheid mee kan vullen. Mits de Man met de Zeis mij toestaat mijn tablet en een flinke koffer boeken mee te nemen naar het Hiernamaals. Bovendien is het goed om wat te lezen hebben als je toevallig het hellevuur moet delen met een zekere rechtsfilosoof, in het geval dat deze onverhoopt toch het verkeerde lot in de vaccinatieloterij trok. Anders zou het maar tot ongemakkelijke stiltes in het gesprek leiden. Zeker als hem ter ore zou komen dat ik Lucifer gevraagd heb om hem en zijn vrienden tot in de eeuwigheid mijn teksten voor te lezen.

Verder zijn er ook mensen die naar Ongehoord Nederland kijken. En als ik het goed begrepen heb, zijn er dat best veel. En het blijkt dat er ook best veel mensen stemmen op de PVV en op Forum voor Democratie. Als ik alle mensen op een hoop gooi die naar David Icke luisteren, zijn boeken lezen, naar Ongehoord Nederland kijken en stemmen op de PVV of Forum voor Democratie, zou het wel eens kunnen gaan om 40% van de bevolking, als ik de historicus René Cuperus mag geloven.[15] Het zijn volgens Cuperus de mensen die ‘afgehaakt’ zijn; ze hebben geen vertrouwen meer in de politiek en staan bijzonder wantrouwend tegenover de overheid. Dat heeft de coronaperiode alleen nog maar versterkt. Ze vragen zich af of er voor hen nog wel een toekomst in Nederland is, en of ze nog wel een stem hebben in hoe onze maatschappij er uit zou moeten zien. Het zijn de machtelozen en de stemlozen, die zich geterroriseerd voelen door de intellectuele elite, die ze voor wil schrijven dat ze niet mogen roken, geen vlees mogen eten – en al helemaal geen patatten meer – geen vuurwerk af mogen steken, niet in een dieselauto mogen rijden en niet van Zwarte Piet mogen houden. Dat is allemaal niet toegestaan. Het zijn de boeren die weg moeten uit dit land, want de intellectuele elite wil op haar e-bike, inclusief een milieuvriendelijk stuk plastic op hun hooggeleerde knar, in het vrije weekend ongehinderd van de door henzelf geprefereerde en kunstmatig in stand gehouden natuur genieten, zonder gestoord te worden door die neanderthalers van een boeren met hun lawaaiige tractoren.[16] En ook willen ze hun hooggeleerde neusjes niet bezoedelen met de stank van varkens-, kippen of koeienmest. En ze willen al helemaal geen ‘boehoeh’ horen van mensen, of koeien, die het niet met ze eens zijn. Over die intellectuele – en politieke – elite heb ik in het verleden ook wel eens iets geschreven, eveneens in hele voorzichtige termen[17] [18], zo meen ik mij te herinneren, en een hele enkele keer ook wel in iets minder genuanceerde geschriften.[19] [20]

Wat denkt deze intellectuele elite te bereiken door David Icke de toegang tot Nederland te ontzeggen? Zouden de machtelozen dan zijn boeken niet meer lezen en niet meer naar zijn voordrachten luisteren? En uit pure verveling dan maar de verkiezingsprogramma’s van VVD, D66 en Groen Links gaan lezen? Overigens waren er verschillende juristen die forse kritiek uiten op deze beslissing, en van mening zijn dat het vreemdelingenrecht wordt misbruikt om mensen met onwelkome opvattingen het recht te ontzeggen naar Nederland te komen.[21] Niet dat dit kabinet zich daar iets van aantrekt: zij leeft immers boven, onder en naast de wet? Maar hoe het ook zei: het inreisverbod zal de belangstelling voor de standpunten van Icke niet verminderen, maar eerder toe doen nemen. Wellicht van reptielen, maar zeker ook van mensen. Een persoon laat zich wellicht aan de landsgrenzen tegenhouden, maar zijn denkbeelden en standpunten absoluut niet. En als Ongehoord Nederland uit het publieke bestel wordt gezet, zou zij dan geen alternatief medium meer vinden zoals bijvoorbeeld Rumble? En zouden de trouwe kijkers van Ongehoord Nederland uit arren moede dan maar weer naar de staatspropaganda bij Op1 of Jinek gaan kijken? Denkt de intellectuele elite dat echt?

Als het zover komt dat de PVV en Forum voor Democratie verboden worden, verwacht de club van deugmenschen dan echt dat machtelozen bij de volgende verkiezingen het rondje van hun lijsttrekker weer rood zullen kleuren? Beperkte het niet opletten van dit kabinet zich misschien niet alleen tot de rekenles, maar breidde zich dat wellicht ook uit naar de geschiedenisles?[22] Het verbieden van Ongehoord Nederland zal het gedachtengoed van die omroep – wat dat ook moge zijn – niet doen verdwijnen. En met het verbieden van de PVV en Forum voor Democratie zal hun aanhang niet in het niets oplossen. Sterker nog, het zal de onvrede van de machtelozen en de stemlozen over hoe de intellectuele elite in haar hooghartigheid denkt ze te moeten dresseren, alleen maar doen toenemen. Repressie en censuur hebben nog nooit geleid tot het verdwijnen van ideologieën of ongewenste meningen, maar ze hooguit tijdelijk wat minder zichtbaar gemaakt. Een stem kan men misschien het zwijgen opleggen, maar de onvrede en woede zal er alleen maar groter door worden. Ik begrijp oprecht niet, dat de hoogopgeleide elite dat niet begrijpt. ‘Dom geleerd’, zou Gideon van Meijeren zeggen. Of gewoon dom geboren, naar de stellige overtuiging van mijn vader: “Dom gebor’n, en nooit wat be’ij-e-leerd. Met ’n kop as ‘n zak strotouw.” U begrijpt nu van wie ik mijn literaire gaven kreeg.

De allerbelangrijkste vraag is: hoe intolerant moet een maatschappij zijn ten overstaan van mensen die intolerantie prediken? Ik denk dat intolerantie niet getolereerd mag worden, omdat het de bijl legt aan de belangrijkste eigenschap van een gezonde maatschappij: het recht op de vrije meningsuiting. ‘Ook al verafschuw ik wat u zegt, ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen’, een uitspraak die (ten onrechte?) aan Voltaire wordt toegeschreven. Dát is waar het hier om gaat. Het gaat er mij niet om wat Icke wel of niet zegt, het gaat er mij niet om wat Ongehoord al of niet wil uitzenden, en het gaat er mij niet om of Baudet van mening is dit land geleid wordt door reptielen. Het gaat erom dat zij dat moeten kunnen zeggen, hoe ‘abject’ en ‘affreus’ de politieke elite dat ook vindt.

Deze intellectuele elite, of wat daarvoor door moet gaan, die zichzelf als liberaal, progressief, milieu-lievend, inclusief en tolerant beschouwd, maar een angstaanjagende intolerantie laat zien ten opzichte van hun medemens die het minder goed getroffen heeft, de medemens die een minder rooskleurige toekomst te wachten staat, en die zich afvraagt of dit land nog wel een veilige plaats zal bieden aan hun kinderen, of dat die beter elders hun heil kunnen zoeken. Deze verschrikkelijke karakterloze, smakeloze en kleurloze humane intellectuele drilpuddingen, die er maar geen genoeg van krijgen om de minderbedeelde medemens te schofferen, terwijl die mensen regelmatig niet meer weten hoe ze hun rekeningen moeten betalen, de touwtjes aan elkaar moet knopen en niet de pedante luxe hebben om zich bezig te houden met regenboogvlaggen, vaginaweigeraars en piemeltwijfelaars. Om nog maar te zwijgen over CO2 en stikstof. Deze vervloekte elite die geen enkel begrip op kan brengen voor mensen die wél patat willen eten, méér patatten zelfs, al was het maar omdat het zo goedkoop is, en op zijn tijd zelfs een karbonaadje of een gehaktbal willen verorberen, zonder daarbij bestraffend op de vingers te worden getikt door een hooghartige Haatkaag of verwelkt, maar nog steeds puberaal Rara Klavertje twee-en-een-half.

Ik lig niet wakker van wat David Icke schrijft of zegt. Ik ben niet bang voor wat Ongehoord Nederland te berde brengt. Ik heb geen angst voor de PVV of Forum voor Democratie. Waarom zou ik? Als ik ernaar wil luisteren doe ik dat, en als ik dat niet wil, doe ik dat niet. Waar ik pas écht bang voor ben is de haatbrigade, aangevoerd door de Haatkagen en de Rara Klavertjes twee-en-een-half, die alles en iedereen de mond willen snoeren die hen niet aanstaat, of die een mening verkondigen die niet de hunne is. Die mensen met afwijkende meningen buiten de landsgrenzen willen houden, die omroepen uit willen sluiten van een democratisch omroepbestel en politieke partijen willen laten verbieden. Dát is wat mij verreweg de meeste angst inboezemt. Dit zijn de mensen die een directe bedreiging vormen voor de democratie, althans, wat er nog van over is. En zo mogelijk nog een veel belangrijker, de allergrootste bedreiging vormen voor het recht op de vrijheid van meningsuiting, de basis van elke democratie. En wat ik verder ook van Baudet vind, ik hoor hém niet zeggen dat D66 en Groen Links geen bestaansrecht hebben en dat zij verboden moeten worden. Ik hoor hém niet zeggen dat Op1 verboden moet worden wegens het jarenlang verspreiden van overheidspropaganda. Het enige dat ik hem hoor zeggen is dat hij de Tweede Kamerleden als groep ‘krankzinnig’ noemt. Dat ben ik niet met hem eens: er zijn enkele uitzonderingen, al zijn het er maar weinig. En ook Wilders hoor ik niet vragen om een verbod op Denk of Groen Links. Dát is het essentiële verschil tussen de mensen die beticht worden van intolerantie, en hen die de intolerantie prediken en praktiseren.

En wat deze intellectuele elite zich niet realiseert is dat die intolerantie in het kwadraat bij ze terug zal keren. Wie intolerantie predikt, zal intolerantie ontmoeten. De ruk naar rechts is in volle gang. Zoals in Zweden waar door de nieuwe rechtse regering met één pennenstreek het ministerie van milieu werd geschrapt en de anti-immigratiepartij mee mocht schrijven aan het regeerakkoord, waardoor de immigratie van nieuwe immigranten en de gezinshereniging zo goed als onmogelijk wordt gemaakt.[23] En in Italië, waar de nieuwe rechtse regering eveneens een harde koers zal varen tegen immigranten. En in de VS de democraten die met angst en beven de uitkomsten van de midterm verkiezingen afwachten, en waarschijnlijk zowel het Huis van Afgevaardigden als ook de Senaat gaan verliezen. En weliswaar won Macron nu nog de verkiezingen, maar de aanhang van Le Pen was nog nooit zo groot. Bovendien verloor hij de parlementsverkiezingen, en mort het Franse volk.[24] Wie intolerantie zaait, zal intolerantie oogsten.

Cuperus zegt dat hij vreest dat het ‘ooit uit de hand gaat lopen’, waarbij hij verwijst naar Frankrijk, waarbij met de opkomst van de extremist Zemmour duidelijk wordt hoe hoog de anti-establishment emoties kunnen oplopen.[25] “Het zou al mooi zijn als de nieuwe regering zich van dit sentiment bewust is”, zegt hij. Dat bewustzijn begint wel te ontstaan bij de intellectuele elite, maar haar antwoord is méér repressie en méér censuur. Zij streven niet naar een multiculturele en tolerante samenleving, maar naar een door hen gewenste monomane deugdictatuur.

Maar deze intolerantie zal zich alleen spiegelen. Waarbij uiteindelijk de kans bestaat dat deze spiegeling uitmondt in geweld. De enige manier voor de gevestigde orde om dit te voorkomen is het goed luisteren naar deze ‘afgehaakten’ en ze als volwaardig behandelen, hun zorgen oprecht serieus te nemen, en voor echte oplossingen te zorgen. Maar de intellectuele elite tooit zich liever in regenboogkleuren en kakelt verder over stikstof en CO2. Volledig van God en het volk los.

Want het begint altijd met luisteren. En daar zit hem nu net de kneep. Dat wil deze intellectuele en politieke elite helemaal niet. Want die voelen zich ver verheven boven dit gepeupel. Zo ver boven hen verheven dat ‘klimaatdiplomaten’ zonder enig gevoel van schaamte zelfs hun luxe benzine slurpende limousines parkeerden op een autovrij plein in Utrecht.[26] Beter kan men minachting van het volk niet etaleren. Een beter milieu begint bij u, en zeker niet bij hen.

Intolerantie leidt onveranderd tot meer intolerantie, maar van diegenen die intolerantie prediken. En dat moet ook. Het onophoudelijke gedram van de intellectuele elite die hun heilige standpunten en denkbeelden bij het gepeupel door de strot willen douwen, desnoods met dwang en geweld, maar zich niet realiseren dat de kans groot is dat ze zelf met de trechter in hun grote waffel eindigen. De vraag is of de intellectuele elite dat ziet. Ik denk het niet.

Met alle mogelijke gevolgen van dien.

 
janbhommel.nl/de-deugdictatuur/#more-3963
door katertje
De volgende gebruiker (s) zei dank u: dirko

Gelieve Inloggen of een account aanmaken om deel te nemen aan het gesprek.

Tijd voor maken pagina: 2.695 seconden