1. Skip to Menu
  2. Skip to Content
  3. Skip to Footer>

Over 'Lissabon'..:

  • Lissabon VIII Vergelijkingen Verdrag van Lissabon: vergelijkingen t.o.v. de oorspronkelijke Europese Grondwet - Hoofdinhoud

    Het Verdrag van Lissabon waarover de Europese regeringsleiders het in juni 2007 eens werden, komt op een groot aantal punten overeen met de Europese grondwet uit 2004.
    Er zijn echter ook belangrijke verschillen, waardoor het Verdrag van Lissabon zich volgens de Raad van State "kenmerkend onderscheidt van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa". Hieronder worden een aantal belangrijke verschillen en overeenkomsten op een rij gezet.

    1.Verschillen
    -Het Europese volkslied en de Europese vlag worden niet meer genoemd.
    -De taken van de Europese Commissie worden duidelijker afgebakend: publieke diensten
    (zoals volkshuisvesting, sociale  zekerheid en gezondheidszorg) vallen niet onder de interne markt. Lidstaten houden dus
    een ruime bevoegdheid op die terreinen.

    -Het Handvest van de Grondrechten is uit de tekst gehaald.
    Maar er is wel een verwijzingsregeling opgenomen naar het handvest, waardoor het juridisch bindend blijft (al kunnen landen ervoor kiezen niet mee te doen: de 'opt-out' - het Verenigd Koninkrijk en Polen willen dat).

    -Nationale parlementen krijgen een zogenaamde 'oranje kaart': als meer dan de helft van alle nationale parlementen vindt dat een voorstel van de Europese Commissie  in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel, dan moet de Commissie het voorstel heroverwegen en besluiten of zij het voorstel intrekt, aanpast of handhaaft.
    In dat laatste geval moet de Commissie duidelijk motiveren waarom zij vindt dat er geen strijd is met het subsidiariteits-beginsel. Zet de Commissie dan alsnog door, dan kan de Raad van Ministers met 55% van de stemmen, of een meerderheid in het Europees Parlement i, besluiten het voorstel niet te behandelen.

    -Er komt geen Europese minister voor Buitenlandse Zaken (zoals voorgesteld in de grondwet).
    Wel blijft de Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB) bestaan; deze gaat echter niet alleen deel uitmaken van de Raad van Ministers, maar ook van de Europese Commissie,

    -De bepaling uit de Europese Grondwet dat Europese regelgeving voorgaat boven nationale wetgeving, is vervallen.
    De jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie dat Europees recht voorrang heeft boven nationaal recht blijft onaangetast.

    -Er wordt nu (in een voetnoot van het Verdrag van Lissabon) verwezen naar de ' Criteria van Kopenhagen ', essentiële zaken waar kandidaat-lidstaten aan moeten voldoen. Dit was een verzoek van Nederland om de drempel voor nieuwe lidstaten te verhogen.

    -Er komt een speciale solidariteitsclausule die stelt dat de EU-lidstaten elkaar helpen bij energiecrises
    ‘Het Europees Parlement heeft medebeslissingsrecht gekregen over de landbouwuitgaven de grootste uitgavenpost van de EU, structuurfondsen, handelsbeleid en deels voor justitie, migratie en politiezaken. Dat wil zeggen dat het ook op die terreinen net zoveel inspraak krijgt als de Raad van Ministers en voorstellen kan blokkeren. Het parlement wordt daardoor mede-wetgever.’
    quote auteur

    -De huidige rechtsinstrumenten blijven bestaan: richtlijnen, verordeningen, beschikkingen etc. De Europese grondwet stelde voor deze te vervangen door Europese wetten en kaderwetten.

    -De doelstelling uit de Grondwet om tot een volledig vrije markt te komen waarin geen ruimte meer is voor protectionisme van nationale industrie, is geschrapt. Het tegengaan van concurrentievervalsing als doel van de Europese Unie is verhuisd van het verdrag zelf naar een protocol.

    2.Gelijk gebleven
    De volgende voorstellen maakten al deel uit van de Europese Grondwet, en zijn overgenomen in het Verdrag van Lissabon. Let wel: in deze gevallen is wel sprake van een wijziging ten opzichte van de huidige situatie.

    -Nationale parlementen krijgen een zogenaamde 'gele kaart': als 1/3 van de parlementen vindt  dat iets beter nationaal dan Europees kan worden geregeld, moet de Commissie haar  voorstellen opnieuw bekijken, eventueel aanpassen en duidelijk maken waarom een voorstel nodig is.

    -Het Europees Parlement heeft medebeslissingsrecht gekregen over de landbouwuitgaven de grootste uitgavenpost van de EU, structuurfondsen, handelsbeleid en deels voor justitie, migratie en politiezaken.
    Dat wil zeggen dat het ook op die terreinen net zoveel inspraak krijgt als de Raad van Ministers en voorstellen kan blokkeren. Het parlement wordt daardoor mede-wetgever.

    -De Europese Commissie  wordt kleiner: zo groot als 2/3 van aantal lidstaten, dat wil zeggen nog maar 18 in plaats van 27 eurocommissarissen. Landen krijgen per toerbeurt een eurocommissaris. Dit zou in 2014 moeten ingaan maar in het Verdrag van Lissabon staat dat dat misschien verder wordt uitgesteld.

    -Nu wordt er in de Raad van Ministers gestemd met gewogen stemmen (elk land heeft een aantal punten, een minimum aantal punten is nodig om een voorstel goed te keuren).
    Dat wordt veranderd; als 55% van de lidstaten (ten minste 15) die 65% van de Europese bevolking vertegenwoordigen vóór stemmen, is het besluit aangenomen. Dat betekent dat het makkelijker wordt om voorstellen goedgekeurd te krijgen. Deze nieuwe regeling geldt pas vanaf 1 november 2014 (dit is overigens de hoofdregel; er zijn uitzonderingen)
    -De Europese Raad (de regeringsleiders) krijgt een vaste voorzitter met een zittingsduur van 2,5 jaar. (Nu rouleert het voorzitterschap elk half jaar.

    -Een miljoen burgers uit de EU kunnen de Europese Commissie vragen een voorstel te maken  over een bepaald onderwerp.

    -Het veto op het gebied van asiel- en migratiebeleid en justitiële samenwerking vervalt: één land kan dan niet langer een besluit blokkeren. Nederland dus ook niet. Het Europees  Parlement en de Europese Commissie mogen op deze terreinen ook gaan meebeslissen.
    Voor defensiebeleid, buitenlands beleid, en het vaststellen van de begroting blijft het veto bestaan.

    -Er is uitdrukkelijk opgenomen dat lidstaten uit de EU mogen stappen.

    -

    {jpageviews 00 right}




  • Lissabon VII Samenvatting De Europese Grondwet verpakt in het Verdrag van Lissabon..

    VII)

    We zullen ons moeten afvragen hoe het toch mogelijk is dat er zoveel steun is voor dit verdrag, van de meerderheid van de politici, zowel links als rechts, uit alle lidstaten, onder het motto dat dit verdrag een nieuw tijdperk van algemene welvaart zal inluiden. Dáár zal niets van terechtkomen! Met name dankzij het feit dat de belangen van de burger worden verpletterd onder die van de grote bedrijven (vooral de "multinationals").

    Uiteraard mogen we ook de "politiek correcte" censuur van de meeste media "bedanken" voor het merendeels onderbelicht blijven van de schaduwzijden van dit verdrag.
    Dat nodigt ons uit om na te denken over de vraag: in hoeverre verdedigen en vertegenwoordigen zij een democratisch systeem?

    Maar wellicht moeten we in de eerste plaats nadenken over de vraag of we op Europees niveau werkelijk een grondwet wensen die verder gaat dan een eenvoudige regeling m.b.t. het beroemde "vrije verkeer van goederen en personen" (d.w.z.toegestaan en niet belast) tussen lidstaten, en een eenvoudige verklaring m.b.t. internationale solidariteit. En als het antwoord op die vraag "ja" is, dan moeten we ons afvragen hoe een Europese regering en grondwet te organiseren die waarlijk rechtvaardig zijn voor allen, in plaats van aan de grote bedrijven middelen en voorzieningen te geven die van het volk zijn (zoals gebeurt dankzij talloze gedwongen privatiseringen) en gedwongen te zijn om beroep te doen op particuliere bedrijven voor het bieden van sociale diensten (namens de "vrije" markt),en i.p.v. -voor alles- de  verworvenheden van een volk te vernielen, dat er zo lang over heeft gedaan die te bereiken...

    Er zijn beslist ook enkele positieve zaken te vinden in dit grondwetverdrag, maar jammer genoeg dienen die in de meeste gevallen vooral om de hoofdzaak te camoufleren: het feit dat dit verdrag een dictatuur van de grote bedrijven en het grote kapitaal mogelijk maakt en dat, ook al wordt dit verdrag door menigeen "liberaal" genoemd, het zwaar de draak steekt met de rechten en vrijheden van de individuele burger.

    In een toespraak op 9 november 2010 verklaarde de kampioen handen schudden Van Rompuy dat het tijdperk van onafhankelijke landen voorbij is en noemde Eurosceptici een gevaar voor de vrede. “Het idee dat landen nog op zichzelf kunnen staan is een leugen” aldus de Belg die een groot voorstander is van een Europese superstaat en de vloer aanveegt met iedereen die hier sceptisch tegenover staat. Hij zegt dat in de ogen van Brussel het idee van een nationale staat binnen de grenzen van Europa geen bestaansrecht meer heeft. Van Rompuy deed zijn omstreden
    uitlatingen in het kader van de 21e verjaardag van de val van de Berlijnse muur.
    “Wij moeten samen strijden tegen het gevaar van het nieuwe Euroscepticisme”.Hij vergeleek de kritiek op Europa met angst dat op haar beurt zou kunnen leiden tot egoïsme, nationalisme en uiteindelijk oorlog. Mocht het in Europa inderdaad tot oorlog komen, dan moeten de daders in Brussel gezocht worden en niet onder de critici van deze kliek.


    (compilatie samengesteld uit vele publicatie's op het internet)
  • Lissabon VI De Europese Grondwet verpakt in het Verdrag van Lissabon..

    VI)

    Tot besluit wordt opgemerkt dat deze problematiek enkel bestaat dankzij de abominabele wetgeving op dit gebied.
    Een wettelijk vastgestelde maximale tijdsduur zou niet werkelijk nodig hoeven te zijn. Als er eenvoudigweg een universeel Europees wettelijk minimumloon zou worden vastgesteld (hetgeen door het verdrag expliciet onmogelijk wordt gemaakt, zie bovenstaande paragraaf) en men zou bepalen dat hoe meer uren men werkt dan de basis van 35 (of 40) uur, hoe hoger het salaris per uur wordt (dat dan gaandeweg substantieel toeneemt), dan zou dat terstond op uiterst doelmatige wijze het uitbuiten door bedrijven van misdeelde bevolkingsgroepen tegengaan, terwijl het ook nog eens de werkgelegenheid zou bevorderen...!

    • Uit naam van "de vrede en de internationale veiligheid" maakt dit verdrag het mogelijk om maatregelen op te leggen op elk gebied, politiek, wettelijk, of sociaal, zonder dat daarbij een plaats is gegeven aan de rechten van burgers, of democratische procedures in het algemeen. Zonder in te gaan op de details van één en ander,zij verwezen  naar deel III, en in het bijzonder naar de artikelen III-131, III-258, III-261,
    III-278, III-292, III-293, III-294, III-295.

    • Onder het voorwendsel van "consumentenbescherming", zie de artikelen III-235 en III-278 (4), zal men een beleid kunnen opleggen dat personen zal verbieden zelf geheel vrijuit te kiezen om bepaalde alternatieve medische behandelingen te volgen, of legaal bepaalde voedingssupplementen (vitaminen, enzymen, mineralen, kruiden, e.d.) aan te schaffen, zelfs als het nut en de werking van die behandelwijzen en voedingssupplementen in de praktijk al ruim gebleken is.
    Indien zulks niet is "bewezen" volgens quasi-wetenschappelijke normen die vastgesteld zijn in diverse dienstenrichtlijnen, dan zal er een verbod op gelden (zoals wordt bepaald in de dienstenrichtlijn 2002/46/EC, dat recentelijk "ongeldig" is verklaard door de Advocaat-generaal van het Europese hof van justitie, hetgeen echter absoluut geen bindende beslissing is), hetgeen met name de grote farmaceutische bedrijven begunstigt, ten koste van kleine ondernemingen en gezondheid van de Europese burgers.
    Het zij opgemerkt dat, i.p.v. vast te stellen dat burgers de mogelijkheid wordt geboden alle beschikbare noodzakelijke informatie over dergelijk behandelmethoden en voedingssupplementen te vinden, de Europese regering verkiest als censor op te treden.
    Wat is er geworden van de bekende garantie op "vrij verkeer van diensten en goederen"...?

    Ze bestaat, vast, maar ook nu weer: niet voor iedereen...

    Daarentegen, in plaats van burgers en het milieu te beschermen tegen de gevolgen van (het merendeel van de) genetisch gemodificeerde organismen, die beslist vernietigend en ziekmakend zullen zijn, zal het verdrag bedrijven die dergelijke organismen verkopen vrij spel geven, dankzij het feit dat dit verdrag zodanig is opgesteld dat het willekeurige toepassingen mogelijk maakt van principes die in beginsel al slecht gedefinieerd zijn...
    ‘Wat is er geworden van de bekende garantie op "vrij verkeer van diensten en goederen"...? ’
    quote auteur

    • Ter besluit, een laatste voorbeeld. In artikel II-70, met de titel "De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst", wordt bepaald: "Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst en overtuiging te veranderen en de vrijheid, hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden of zijn overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften."

    Echter, artikel I-52, met de titel "De status van kerken en van niet-confessionele organisaties" bepaalt: "De Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken en organisaties [die nationaal erkend zijn], onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage."

    Het gevolg van deze bewoording is, dat dankzij dit verdrag religieuze organisaties het recht krijgen dat men rekening houdt met hun standpunt (het recht/de vrijheid "zijn godsdienst te belijden", zowel "openbaar als privé", en het recht op het voeren van een "dialoog").

    Dit betekent in essentie niets meer en niets minder dan het EINDE VAN DE SCHEIDING VAN KERK EN STAAT, aangezien het artikel op geen enkele wijze beperkingen vaststelt met betrekking tot die "dialoog".
    Moeten wij in deze artikelen de voorbereidingen zien voor een nieuwe wereldreligie en een religieuze totalitaire wereldregering die wereldwijd haar religieuze en filosofische overtuigingen zal kunnen opleggen?
    ‘Dit betekent in essentie niets meer en niets minder dan het EINDE VAN DE SCHEIDING VAN KERK EN STAAT, aangezien het artikel op geen enkele wijze beperkingen vaststelt met betrekking tot die "dialoog". ’
    quote auteur

    Want ook al garandeert artikel II-70 de "vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst", en bepaalt artikel I-52 dat de "status van kerken en van niet-confessionele organisaties" zal worden gerespecteerd, men kan niet in alle gevallen alle partijen tegelijk van dienst zijn, en er zal dus altijd een religieuze of filosofische groepering zijn die talrijker of beter geïntegreerd is dan alle anderen. Het gevolg daarvan zal zijn dat de opvattingen van die groepering het overheidsbeleid zullen overheersen.

    Op dezelfde wijze heeft men inmiddels in bepaalde landen (zoals Frankrijk en onlangs ook in Hongarije (zie een topic daarover van de redactie van Tref.eu)) wetten aangenomen die erop gericht zijn de activiteiten te verbieden van bepaalde groeperingen die over het algemeen op volkomen willekeurige wijze het etiket "sekte" opgeplakt krijgen, terwijl deze benaming angstvallig wordt vermeden voor gevestigde religies zoals het Christendom, het Judaïsme, en de Islam,en die onderwijl elke groepering die alternatieve filosofieën (religieus of atheïstisch) in de praktijk brengt, in hun bestaan bedreigen.

    Al met al doen deze artikelen niets minder dan vast te stellen dat, als het om vrijheid van denken, geloof en leefwijze gaat, het "recht van de sterkste" geldt.
    Ook al geldt voor ieder mens dat deze een filosofie of religie toepast of belijdt, kan het niet worden toegelaten dat een wetgeving en de toepassing ervan op exclusieve wijze beïnvloed worden door dergelijke stromingen. Wetten en de toepassing ervan dienen dusdanig op objectieve wijze rechtvaardig te zijn dat een dergelijke invloed slechts overbodig zou zijn...

    {jpageviews 00 right}




  • Lissabon V De Europese Grondwet verpakt in het Verdrag van Lissabon.
    V)

    In dit verdrag gaat het er dus absoluut niet om een menselijk en waarlijk solidair systeem te garanderen, hetgeen u al had begrepen bij het analyseren van hoe de term "toegang" is gebruikt in artikel II-94. De verontrusting is dus volkomen terecht.
    Dit verdrag zal noodgedwongen, vroeg of laat, tot erbarmelijke sociale omstandigheden leiden.

    • Onder de titel "Het verbod van kinderarbeid en de bescherming van jongeren op het werk" wordt in werkelijkheid het recht gegeven kinderen van 13 jaar en ouder te werk te stellen; en onder bepaalde voorwaarden ook jongere kinderen, dankzij een spel met woorden en aangehechte bepalingen dat zowel vernuftig als sluw is.
    Het artikel stelt: "de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces mag niet lager zijn dan de leeftijd waarop de leerplicht ophoudt." Maar in de dienstenrichtlijn 94/33 wordt bepaald (vertaald uit het Frans, geen officiële vertaling): "Lidstaten mogen, wettelijk of reglementair, de voorziening treffen dat kinderarbeid niet verboden is:
    a) voor kinderen die activiteiten uitoefenen waar op gedoeld wordt in artikel 5 [zgn. "culturele" activiteiten];
    b) voor kinderen van minstens 14 jaar die werken binnen het kader van een opleiding of stage, voor zover die arbeid geschiedt in overeenstemming met de voorwaarden die door de gezaghebbende autoriteit zijn gesteld.
    c) voor kinderen van minstens 14 jaar die lichte arbeid verrichten waar niet op gedoeld wordt door artikel 5; lichte arbeid dat niet valt onder artikel 5 mag desalniettemin worden uitgevoerd door kinderen van tenminste 13 jaar, beperkt tot een maximaal aantal uren per week en voor bepaalde soorten arbeid, zoals bepaald door nationale wetten."

    M.a.w.: het tewerkstellen van kinderen van minder dan 13 jaar oud zal worden toegestaan, als het om "culturele" activiteiten gaat, en het zal worden toegestaan voor kinderen van minstens 13 jaar, als het gebeurt binnen het kader van een "opleiding". Uiteraad wordt noch door het verdrag, noch door deze dienstenrichtlijn bepaald aan wat voor normen en kwaliteitseisen dergelijke "culturele" activiteiten en "opleidingen" moeten voldoen.

    In ieder geval zal het worden toegestaan om kinderen van 14 jaar en ouder full-time te doen werken, aangezien dat de leeftijd is waarop "de leerplicht ophoudt". Op het ogenblik gelden de volgende minimumleeftijden om te mogen werken: in Nederland 16 jaar (13 jaar onder uitzonderlijke voorwaarden, met een maximum van 2 uur per dag en 12 uur per week), in België 18 jaar (15 jaar onder uitzonderlijke voorwaarden, met een maximum van 20-22 uur per week), en in Frankrijk 18 jaar (14 jaar onder uitzonderlijke voorwaarden, enkel in vakanties van minstens 14 dagen, en 16 jaar onder uitzonderlijke voorwaarden).

    • Artikel II-74, "Het recht op onderwijs" stelt: "Eenieder heeft recht op onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing." Hier schuilt er mogelijk een probleem in het woord "onderwijs", dat in de Engelse en Franse versies van de grondwet wordt vertaald met het woord "education", wat ook staat voor "opvoeding", en de mogelijkheid geeft een en ander op een manier op te vatten die veel verder gaat dan het kader van schoolonderwijs en het bijv. mogelijk kan maken ouders verantwoordelijk te stellen voor delinquent gedrag van hun kinderen, dientengevolge de ouders uit de ouderlijke macht te zetten en hun kinderen in willekeurige centra en opleidingen te plaatsen, een praktijk die we in bepaalde landen meer en meer zien toegepast worden en die wettelijk gesteund zal worden door artikel II-66 (zie hierboven) dat het mogelijk maakt kinderen in hechtenis te nemen om "toe te zien" op de opvoeding.

    Artikel II-74 maakt het ook mogelijk om op willekeurige wijze te beslissen dat bepaalde onderwijsvormen niet als dusdanig gelden, hetgeen in eenzelfde soort praktijk kan resulteren, ondanks dat het artikel stelt dat ouders het recht hebben "om zich voor hun kinderen te verzekeren van het onderwijs en de opvoeding die overeenstemmen met hun godsdienstige, hun levensbeschouwelijke en hun opvoedkundige overtuiging".

    • Kort samengevat, zonder op een overvloed van details in te gaan: het verdrag zal aan grote bedrijven alle middelen geven om vrijwel ongehinderd door sociale wetgeving hun gang te gaan, en beperkt zich op sociaal gebied voornamelijk tot het vermijden van bepaalde excessen die zouden kunnen ontstaan van de kant van bedrijven, wellicht vooral met de bedoeling wantoestanden te vermijden die zouden kunnen ontstaan vanwege een massale volksopstand (alhoewel...). Ook al wordt de schijn gewekt dat bepaalde artikelen vaststellen dat bedrijven op sociaal gebied bepaalde verplichtingen zullen hebben (zoals het aannemen en ontslaan van werknemers op een billijke manier, werkomstandigheden die rechtvaardig en veilig zijn, enz...), in werkelijkheid wordt aan de bedrijven alle middelen gegeven om die te omzeilen dankzij dienstenrichtlijnen zoals 98/59, 94/45 et 89/391, of de inmiddels beruchte en gevreesde "Bolkestein" dienstenrichtlijn (SEC (2004) 21). De "Bolkestein" dienstenrichtlijn, die in bepaalde landen grote ophef heeft veroorzaakt, is er een schrijnend en cynisch voorbeeld van, aangezien het in de oorspronkelijke vorm o.a. de mogelijkheid geeft mensen uit de ene lidstaat in een andere lidstaat te laten werken, waarbij dan echter volstaan kan worden met het volgen van de wetten van de oorspronkelijke lidstaat.
    ‘De "Bolkestein" dienstenrichtlijn, die in bepaalde landen grote ophef heeft veroorzaakt, is er een schrijnend en cynisch voorbeeld van, aangezien het in de oorspronkelijke vorm o.a. de mogelijkheid geeft mensen uit de ene lidstaat in een andere lidstaat te laten werken, waarbij dan echter volstaan kan worden met het volgen van de wetten van de oorspronkelijke lidstaat. ’
    quote auteur
    In de praktijk zal dit kunnen betekenen dat men in relatief rijke lidstaten arbeiders laat werken uit arme lidstaten, waar het minimumloon tot aan minder dan de helft kan zijn dan dat van rijke(re) lidstaten. Ook al is er toegezegd dat de richtlijn zal worden aangepast, hoofdzakelijk in een poging een afwijzing van het verdrag te vermijden bij diverse referenda zoals in Nederland en Frankrijk, toont de richtlijn duidelijk welke mentaliteit achter de Europese wetgeving steekt, aangezien ze niets meer doet dan heel nauwkeurig de principes ervan toe te passen, op een wijze die volkomen samenhangend is.
    Geconcludeerd kan worden dat, ook al wordt de richtlijn gewijzigd (waar sterk aan getwijfeld mag worden), ze uiteindelijk toch weer opnieuw zal worden ingebracht op de een of andere wijze, aangezien het verdrag, in de huidige vorm, dat eist.

    Een ander schrijnend voorbeeld is het feit dat dit verdrag bedrijven zal toestaan om werknemers veel langer te doen werken dan 48 uur per week, tot aan maar liefst 65 uur, en zelfs meer, ondanks dat artikel II-91 van het verdrag bepaalt: "Iedere werknemer heeft recht op een beperking van de maximumarbeidsduur." De list bestaat erin dat niet wordt vermeld wat die maximumarbeidsduur precies moet zijn! Dankzij de dienstenrichtlijn 93/104 uit 1993, is momenteel de maximumarbeidsduur vastgesteld op 48 uur per week. Maar de Engelsen hebben een uitzondering afgedongen, in de vorm van een "opt out", die toestaat dat Britse bedrijven van hun werknemers eisen dat ze hun recht op een maximumarbeidsduur opgeven en accepteren om langer dan 48 uur per week te werken. Ook al wordt gesteld dat deze keus volstrekt vrijwillig dient te zijn, is het niet moeilijk om voor te stellen wat de gevolgen zullen zijn tijdens periodes van grote werkeloosheid. Op het ogenblik wordt door de Europese Commissie gewerkt aan het veranderen van de richtlijn uit 1993, waarbij wordt geprofiteerd van het toetreden van 10 Centraal-Europese landen, om de "opt out" clausule algemeen
    geldend te maken voor alle werknemers van de EU... De maximumarbeidsduur zal dan kunnen worden verhoogd tot 65 uur per week. [noot: op 11 mei 2005 werd door het Europese Parlement gestemd over een tekst die zou moeten leiden tot het verwijderen van de “opt out” mogelijkheid, maar dezelfde tekst stelt een versoepeling van het
    berekenen van het gewerkt aantal uren in, waardoor uiteindelijk nu in ALLE lidstaten het mogelijk zal zijn mensen onredelijk lang te laten werken, want ook al wordt de tijdsduur per werkgever beperkt, het is nog altijd mogelijk voor iemand om meerdere werkgevers te hebben, en meer en meer mensen zullen zich gedwongen zien meerdere banen te hebben om rond te komen.
    Overigens kan het resultaat van deze stemming alsnog worden teruggedraaid door de Europese Comissie en de Raad van ministers.



    {jpageviews 00 right}




  • Lissabon IV De Europese Grondwet verpakt in het Verdrag van Lissabon.
    IV

    • 3/4e van de tekst van het verdrag bestaat uit de 321 artikelen van Deel III (van in totaal 448 artikelen) die hoofdzakelijk handelen over de politieke en economische praktijk in de EU (de titel van het 3e deel is "Beleid en Werking van de Unie", waarmee op handige wijze het woord "economie" wordt vermeden). Normaliter heeft politiek, in z'n algemeen, niets te zoeken in een constitutie. Van een constitutie wordt verwacht dat ze zo is verwoord dat er verschillende soorten politiek mee kan gevoerd worden, bijvoorbeeld een "linkse", "rechtse", of "ecologische" politiek. Zonder op de relevantie van deze begrippen in te gaan, het is een feit dat het voorgestelde verdrag dergelijke varianten onmogelijk maakt, aangezien het enkel een zgn. "liberale" politiek toelaat, op een wijze die in het bijzonder de grote bedrijven en grote vermogens bevoorrecht. In plaats van te spelen met woorden en te spreken van een "grondwet", zou het juister zijn om te spreken van een "politiek contract", of eenvoudigweg "contract", gezien de vele regels die het geeft op het gebied van de economie, waarbij opmerkelijk veel macht wordt  weggegeven aan de grote bedrijven. Naast de voorbeelden die hieronder worden belicht, zal ik hier slechts het voorbeeld van artikel III-181 noemen, dat de centrale banken van lidstaten verbiedt "voorschotten in rekening-courant of andere kredietfaciliteiten te verlenen aan instellingen, organen of instanties van de Unie, centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten, of rechtstreeks van hen schuldbewijzen te kopen." M.a.w.: deze "grondwet" verplicht de regeringen van de lidstaten enkel leningen af te sluiten bij particuliere banken, uiteraard tegen woekerprijzen die betaald zullen worden door de burgers...
    • Dit verdrag zal middels artikel III-210, nummer 2, paragraaf b, expliciet verbieden dat de sociale wetgevingen van de onderlinge lidstaten op elkaar worden afgestemd (zoals bv. zou kunnen gebeuren voor een Europees wettelijk minimumloon) door te stellen dat in de Europese kaderwetten "wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen, dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd." In wezen zal het resultaat van artikel II-209 zijn dat het minimumloon steeds lager zal worden (relatiefgezien, dan).
    • Wat veel mensen terecht grote zorgen baart, is dat dit verdrag het socialezekerheidsstelsel ernstig kan aantasten (sociale diensten, werkloosheidsuitkeringen, pensioenen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, kinderbijstand, etc...). Vele prominente politici die voorstanders zijn van het verdrag proberen via de media keer op keer te doen geloven dat het verdrag het recht op sociale bijstand erkent en vaststelt.
    Laten we eens kijken wat artikel II-94, met de titel "Sociale zekerheid en sociale bijstand" erover zegt: "1. De Unie erkent en eerbiedigt onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten [...]" en "2. Eenieder die legaal in de Unie verblijft en zich daar legaal verplaatst, heeft recht op socialezekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken."
    ‘In plaats van te spelen met woorden en te spreken van een "grondwet", zou het juister zijn om te spreken van een "politiek contract", of eenvoudigweg "contract", gezien de vele regels die het geeft op het gebied van de economie, waarbij opmerkelijk veel macht wordt weggegeven aan de grote bedrijven. ’
    quote auteur

    In feite wordt in dit artikel dankzij het spelen met woorden slechts de indruk gewekt dat er een recht op sociale bijstand wordt vastgesteld. Maar uiteindelijk is alles dat wordt vastgesteld het feit dat er wordt erkend dat er reeds een sociale wetgeving en praktijk bestaat in diverse lidstaten, en dat die zal worden gerespecteerd, maar dan onder de voorwaarden van het Europese recht. En dat recht, net als de rest van het voorgestelde grondwetverdrag, geeft voorrang aan economische belangen, zoals bijv. ook nog eens wordt aangegeven in artikel III-209, waar wordt gesteld dat bij het
    bepalen van het sociaal beleid rekening dient worden gehouden "met de noodzaak het concurrentievermogen van de economie van de Unie te handhaven", hetgeen op zichzelf niet per se een slechte zaak is, tenzij men met de term "concurrentievermogen" doelt op "winstbejag" in plaats van een "stabiele en sterke situatie". Helaas weten we uit
    de praktijk dat een dergelijke richtlijn wel degelijk op winstbejag uitdraait en stelt dit verdrag absoluut niet vast wat de minimumkwaliteitsnormen dienen te zijn voor een sociaal beleid dat de schade die aldus kan worden aangericht, vermijdt.

    In werkelijkheid vrijwaart de EU zich middels dit artikel van enige verplichtingen op het gebied van sociale hulp, ook al suggereren de paragrafen 2 en 3 anders. En dienovereenkomstig heeft het presidium van de Europese Conventie dan ook bepaald dat het artikel enkel verwijst naar reeds bestaande sociale diensten en dat er geen enkele verplichting is om dergelijke diensten te scheppen... Hier kunnen we aan toevoegen dat het artikel ook niet bepaalt dat die diensten dienen te worden gehandhaafd en dat andere artikelen van het verdrag en overige EU-wetten bepalen dat openbare-/overheidsdiensten geprivatiseerd dienen te worden, met alle gevolgen die dit zal hebben voor de kwaliteit
    van die diensten, en het aanbod ervan.


    {jpageviews 00 right}




  • Lissabon III De Europese Grondwet verpakt in het Verdrag van Lissabon.
    III)
    Omgekeerd zijn er diverse gevallen waarbij in een artikel gesproken wordt over een "recht", maar waar het in de praktijk erom gaat vrijheden weg te nemen bij de individuele persoon. Dit is bijvoorbeeld het geval voor artikel II-62, "Het recht op leven", dat het mogelijk zal maken abortus te verbieden, en waarbij dankzij een uitzondering die niet vermeld wordt in het artikel zelf (en die op allesbehalve eenvoudige wijze te vinden is in het allerlaatste deel van de tekst, de "Slotakte", Titel 1, Artikel 2, toelichting nummer 3), expliciet toestemming wordt gegeven de doodstraf toe te passen in "uitzonderlijke situaties" zoals in "tijd van oorlog", in tijd van "onmiddellijke oorlogsdreiging" (we zouden daarbij kunnen denken aan het liquideren van mensen waarvan vermoed wordt dat ze terroristen zijn, zoals de mensen die door de Amerikanen gevangen worden gehouden op Guantanamo Bay), en "teneinde in overeenstemming met de wet een oproer of opstand te onderdrukken", hetgeen betekent dat er expliciet toestemming wordt gegeven te schieten op een menigte demonstranten...
    Een ander voorbeeld van het wegnemen van vrijheden wordt gegeven door artikel II-66, "Het recht op vrijheid en  veiligheid", dat dankzij een addendum waarnaar in het artikel niet direct wordt gerefereerd (maar dat enkel wordt vermeld in diezelfde "Slotakte", bij Titel II, Artikel 6), het mogelijk zal maken talloze personen in hechtenis te zetten, zoals minderjarigen, teneinde "toe te zien op [hun] opvoeding", personen die niet accepteren te worden gevaccineerd door een product dat zij ondoeltreffend en gevaarlijk achten (zelfs als deze beoordeling perfect gefundeerd is, doch niet geaccepteerd door een conventionele wetenschap die zwaar gecorrumpeerd is door de farmaceutische industrie), personen die men "geestesziek" acht (hetgeen in veruit de meeste gevallen gebaseerd zal zijn op volstrekt willekeurige en wetenschappelijk ongefundeerde principes), personen die alcoholist zijn of verslaafd aan "verdovende middelen", en zelfs landlopers, die er uiteraard meer en meer zullen zijn dankzij het steeds harder wordende economische klimaat dat het resultaat zal zijn van dit verdrag. Voeg daaraan toe dat het zal zijn toegestaan om gevangenen te doen werken zonder geldelijke compensatie, d.w.z. als slaven (zie het addendum
    bij artikel II-65, te weten Slotakte, Titel I, Artikel 5) en we hebben een waarlijk "Goelag nachtmerrie" scenario...

    • Een essentieel probleem is het feit dat niet enkel bepaalde grondrechten op diverse manieren worden weggenomen, maar bijvoorbeeld ook het recht op een persoonlijke keus met betrekking tot persoonlijke omstandigheden, zoals de vrije keus om bepaalde producten te consumeren (of het nu om bepaalde voeding gaat, bepaalde gezondheidsproducten, of andere - zie ook paragraaf hieronder) of het recht bepaalde activiteiten te beoefenen (bv. het drukken van een eigen geldsoort).
    Had u het over "liberalisme"? Ja..., maar niet voor iedereen!

    • Een ander voorbeeld van een grondrecht dat dankzij dit verdrag wordt weggenomen, is dat van "De vrijheid van meningsuiting en van informatie", artikel II-71, dat op grondige wijze wordt tenietgedaan dankzij een addendum dat de goedkeuring had kunnen verdienen van een zekere J. Stalin, en waar in het artikel zelf niet direct naar verwezen wordt.
    Het bepaalt dat er uitzonderingen zullen mogen worden gemaakt "in het belang van de nationale veiligheid, [...] openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, [...] of om het gezag en de onpartijdigheid
    van de rechtelijke macht te waarborgen", echter zonder dat wordt beschreven wat precies aan deze criteria voldoet.Als we zien wat er sinds 11 september 2001 zoal gebeurd is in de VS, en kijken naar de wantoestanden, censuur en repressie m.b.t. meningen die afweken van die van de overheid, dan mogen we terecht ongerust zijn over de wijze waarop deze
    bepalingen zullen worden gebruikt.
    ‘Een ander voorbeeld van een grondrecht dat dankzij dit verdrag wordt weggenomen, is dat van "De vrijheid van meningsuiting en van informatie", artikel II-71, dat op grondige wijze wordt tenietgedaan dankzij een addendum dat de goedkeuring had kunnen verdienen van een zekere J. Stalin, en waar in het artikel zelf niet direct naar verwezen wordt. ’
    quote auteur
    Een grondwet die waarlijk democratisch is, beschermt tegen het ontstaan van een dictatuur; enerzijds dankzij het feit dat machten gescheiden zijn en anderzijds dankzij het toezicht op die machten, dat niet in de handen dient te zijn van diegenen die de machten uitoefenen.
    Het verdrag dat thans wordt voorgesteld, organiseert de zaken zodanig dat er een Parlement is zonder macht (het heeft enkel raadplegende functies en zeer beperkte mogelijkheden om rechtstreeks in te grijpen) dat het moet opnemen tegen uitvoerende machtsorganen die wèl alle macht en bevoegdheden hebben. Deze "grondwet" zal voor altijd bepalen dat alle macht in handen is van het koppel Raad van ministers / Europese Commissie. Op deze manier zullen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht dus allen in dezelfde handen zijn!  Zodoende zullen zij de exclusiviteit hebben m.b.t. het nemen van initiatieven voor het maken van wetten, maar zullen zij tevens zelf kunnen beslissen of die wetten naar behoren worden nageleefd, en desgewenst straffen opleggen.

    Het Parlement kan nooit een commissaris direct op zijn beleid en beslissingen aanspreken; het kan enkel de Commissie in één klap ontbinden, hetgeen het uitoefenen van druk m.b.t. individuele onderwerpen zwaar begrenst. Het Europees Parlement kan verder ook niet de Raad van ministers doen aftreden, waardoor dezen kunnen handelen zonder enige verantwoording af te hoeven leggen, op volstrekt onverantwoordelijke wijze,d.w.z.: zonder dat er sancties
    aan hen kunnen worden opgelegd.

    • Een grondwet die waarlijk democratisch is, dient te worden opgesteld door een onafhankelijke groep van volksvertegenwoordigers. Als de selectie van deze vertegenwoordigers en/of de verdeling van verantwoordelijkheden gecompromitteerd raakt vanwege manipulaties door diverse belanghebbenden, dan is het logisch gevolg dat het eindresultaat zwaar partijdig zal zijn. Dit is kennelijk wat is gebeurd met het huidig voorgestelde verdrag, dat duidelijk de voorkeur geeft aan de economie in plaats van aan het leven, en eerder totalitarisme bevordert in plaats van een eerlijke democratie en individuele vrijheid.
  • Lissabon II De Europese Grondwet verpakt als het 'Verdrag van Lissabon'.

    Laten we nu eens kijken naar enkele cruciale punten van het nieuwe Europese verdrag:
    (sommige mensen zouden enkele punten die aan bod komen enigszins vergezocht kunnen vinden, maar het is daarbij zaak te bedenken dat, of het nu om een wet of willekeurig contract gaat, elke keer wanneer een aspect slecht gedefinieerd is, dit kan leiden tot misbruik en wantoestanden)

    • Als het huidige voorgestelde verdrag wordt aangenomen, dan zal het aan de Europese bevolking opgelegd tot de dag dat het wordt ontbonden, waarschijnlijk d.m.v. geweld. De voornaamste reden daarvoor, is dat elke wijziging van het verdrag een absolute unanimiteit vereist van de lidstaten, iets dat hoogst onwaarschijnlijk is, of op zijn best een uitzondering zal zijn zoals voor het accepteren van het verdrag zou kunnen gebeuren).
    Er is geen enkel democratisch land in de wereld waar geëist wordt dat een grondwet enkel gewijzigd kan worden als er volstrekte unanimiteit is. Het is eerder gebruikelijk dat dergelijke wijzigingen kunnen worden gedaan met een
    meerderheid van 2/3 of 3/4. Dankzij de unanimiteitsregel probeert men dus het verdrag te doen accepteren als een soort "heilige", "eeuwige" en "perfecte" tekst, hetgeen toch bepaald niet het geval is, zoals we zullen zien...

    • De tekst van dit verdrag is opzettelijk geformuleerd op een manier die tot doel heeft te manipuleren, in de ruimste zin van het woord. Zo vinden we bijvoorbeeld in deel II, "Handvest van de Grondrechten", steevast voor elk artikel een titel die een grandioze rechtvaardigheid lijkt te beloven, maar deze wordt in de regel onmiddellijk in het tegendeel omgezet in de tekst van het artikel zelf of d.m.v. zgn."dienstenrichtlijnen" (in het Engels en Frans:
    "directives"), die teksten zijn waar het verdrag zelf nooit rechtstreeks naar refereert (deze dienstenrichtlijnen worden opgesteld onder het gezag van het presidium van de Europese Conventie, zoals bepaald in de Preambule van deel II en artikel II-112, punt 7, en zijn in de regel niet eens in het Nederlands te vinden, ook al vormen ze een essentieel onderdeel van de nieuwe wetgeving!). Het beoogde effect is om een oppervlakkige lezing van de
    tekst van het verdrag onmogelijk te maken, en erger: volstrekt misleidend. Bedenk dat men de bevolking heeft uitgenodigd om de tekst van het verdrag te lezen en voor dat doel publicaties ter beschikking stelt; echter zonder daarbij de cruciale rol van de dienstenrichtlijnen te vermelden, of de teksten ervan bij te voegen! Zelfs voor wie zich bewust is van de rol van die teksten, is het extreem lastig om op te zoeken of er bepaalde dienstenrichtlijnen zijn
    die op een artikel van toepassing zijn, en zo ja: wat er dan bepaald is.

    ‘Een belangrijk argument van de voorstanders van het verdrag is die van de "Europese solidariteit" Echter, in wezen ondermijnt dit verdrag elke wetgeving op het gebied van sociale solidariteit en dat van het sociale recht en arbeidsrecht, zoals die thans al bestaan in de landen van de EU. ’
    quote auteur

    Het is duidelijk dat het weglaten van tekst, op zichzelf, een list is die men opzettelijk heeft toegepast. Door in de hoofdtekst van het verdrag talloze belangrijke aspecten niet te bespreken, details weg te laten en geen verwijzingen te geven naar de dienstenrichtlijnen, heeft men de mogelijkheid gegeven voor misbruik en manipulatie, onderwijl de schijn ophoudend dat het om een rechtvaardige tekst gaat.

    Daarenboven wordt een terminologie gebruikt die vaak opzettelijk vaag is, waarbij menigmaal een zgn. "zacht" recht wordt toegepast, dat anders is dan zgn. "hard" recht. Een voorbeeld om dit te illustreren: "ik garandeer u dat ik u zal terugbetalen" is "hard" recht, terwijl "ik zal mijn best doen u terug te betalen" een voorbeeld van "zacht" recht is. Op dezelfde wijze belooft de tekst van het verdrag bepaalde "waarden" te bevorderen (zoals gelijkheid tussen man/vrouw, sociale solidariteit, enz...), maar niet dat die gegarandeerd worden.

    • Een belangrijk argument van de voorstanders van het verdrag is die van de "Europese solidariteit" Echter, in wezen ondermijnt dit verdrag elke wetgeving op het gebied van sociale solidariteit en dat van het sociale recht en arbeidsrecht, zoals die thans al bestaan in de landen van de EU.
    Voor zover dergelijke wetten bestaan, zullen die gaandeweg worden vervangen door een "ultra-liberaal" systeem dat hoegenaamd vrijwel geen garanties zal bieden voor het individu, maar vrij spel geeft aan de (grote) bedrijven. Erger: het verdrag zal op een zekere manier overheden verbieden hun eigen socialezekerheidssystemen te hebben en te beheren. In veruit de meeste gevallen worden overheden gedwongen om van de diensten van particuliere bedrijven gebruik te maken.

    • Het zij opgemerkt dat het gebruik van de term "ultra-liberaal" als kwalificatie van het huidige voorgestelde verdrag geenszins betekent dat het erom gaat een systeem te installeren dat gunstig is voor de "vrijheid" van de individuele persoon. Integendeel! Terwijl enerzijds grote bedrijven een wettelijk instrument wordt gegeven dat hen "grote vrijheden" zal toestaan (d.w.z. de mogelijkheid hun eigen voorwaarden op te leggen aan iedereen), ziet anderzijds het individu zich talloze rechten ontzegd (zelfs de rechten die thans al bestaan op nationaal niveau), zoals bv. het recht te staken en/of te demonstreren (hetgeen verboden zal kunnenworden), het recht gebruik te maken van een zelfgekozen medische behandelingswijze (die keus zal wettelijk worden beperkt), het recht op abortus (dat weer zou kunnen worden ingetrokken),en vele anderen.
    Ook merken we op dat wanneer een artikel van het verdrag over "vrijheid" handelt, het er meestal om gaat een recht te geven aan de (grote) bedrijven (zoals in artikel I - 4  "Fundamentele vrijheden en non-discriminatie", dat de garantie geeft van "het vrije verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal", hetgeen in de praktijk kan betekenen dat bedrijven aldus het recht hebben stakingen en demonstraties te doen verbieden als deze dat "vrije verkeer" belemmeren; hetzelfde principe verstrekt de basis voor vele dienstenrichtlijnen die diverse sociale verworvenheden afbreken of aan religieuze organisaties (zoals in artikel II-70 "De vrijheid van gedachte, ..." die aan de grote religieuze organisaties het recht geeft hun visies op te leggen aan het regeringsbeleid), maar nooit aan de individuele persoon, voor zover dat zou ingaan tegen de belangen van de (grote) bedrijven en religieuze organisaties.



    {jpageviews 00 right}




  • Lissabon I De Europese Grondwet verpakt als het 'Verdrag van Lissabon'.

    Wat betekent het nu voor ons?
    De Europese Unie werd aanvankelijk geïntroduceerd als zou ze met name een middel
    zijn dat een vrij handelsverkeer tussen Europese landen mogelijk maakte.
    Nooit meer oorlog in Europa, meer democratie en welvaart voor alle volkeren van Europa.
    Welk mens van goede wil kan daar op tegen zijn?

    Dat waren de slogans waarmee destijds de Nederlandse burgers naar de stembus werden geleid om middels een referendum hun -door het kabinet Balkenende verwachte Ja- stem voor de EU-Grondwet uit te brengen.

    Dat het referendum uitliep op een zware teleurstelling voor Balkenende is bekend: 63% van het electoraat was tegen .!. een Europese Grondwet.

    Maar Balkenende die zijn streven om de eerste president van de Verenigde Staten van Europa te worden gefrustreerd zag worden, gaf niet op en kwam met het voorstel het Ontwerp te ontdoen van de instelling van "een Europese vlag, een Europees volkslied, een Europese president en een Europese minister van Buitenlandse Zaken. Een paar, maar niet de de belangrijkste, bezwaren van de Nederlandse bevolking.
    (vlag en volkslied werden overigens,via een voetnoot bij het Verdrag van Lissabon, gewoon weer ingevoerd).

    Inmiddels toont de praktijk ruimschoots aan dat het er in wezen om gaat een Europese
    regering aan de macht te brengen die haar recht zal doen gelden op het gedrag en de
    keuzevrijheid van elk individueel persoon, zowel waar het handel en arbeid betreft als
    waar het keuzes m.b.t. persoonlijke levenssfeer betreft. Met andere woorden, in het
    bijzonder als rekening wordt gehouden met de gevolgen voor ieders persoonlijke
    leefomstandigheden kan de enige conclusie zijn dat het erom gaat een totalitair en
    fascistisch systeem te installeren, dat uiteindelijk op wereldwijde schaal zal worden
    verwezenlijkt door middel van de VN.

    Op 05-10-2007 verklaarde de Italiaanse oud-premier Giuliano Amato, die meer dan een jaar
    lang nauw betrokken was bij het opstellen van de verdragtekst voor de nieuwe Europese Grondwet,
    dat dit verdrag bewust onleesbaar is gemaakt om te voorkomen dat burgers nieuwe referenda
    eisen.‘De regeringsleiders besloten dat de verklaring onleesbaar moest worden’ aldus Amato in de Euobserver.

    Terug naar het Europese verdrag (dat inmiddels van kracht is geworden onder de naam Verdrag van Lissabon)
    Eerst even enkele belangrijke punten i.v.m. de voorgaande verdragen:
    ‘Dat het referendum uitliep op een zware teleurstelling voor Balkenende is bekend: 63% van het electoraat was tegen .!. een Europese Grondwet.’
    quote auteur
    • Onder de wetten van de EU bestaat er geen nationale soevereiniteit meer. Het "Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa" dat thans wordt voorgesteld, is in wezen een poging om democratische procedures te omzeilen dankzij een woordspeling.  Het verdrag herziet nationale grondwetten dankzij het feit dat het boven die wetten staat.

    • De Europese landen zoals wij die thans kennen, hebben hun bestemming als naties verloren, en worden officieel niet meer "land" genoemd, maar "lidstaat" (op een wijze die sterk lijkt op die van de Verenigde Staten van Amerika). Onder de Europese wet zijn het de provincies en regio's die "landen"zullen genoemd worden. Op termijn is het doel hiervan nationale  identiteiten doen verdwijnen en daarmee ook de capaciteit van een bevolking om op ideologische nationale basis solidair te zijn,alsook de capaciteit tot verzet die dat meebrengt.
    • Enerzijds wordt met de EU-wetten de macht gedecentraliseerd, maar voor de belangrijkste zakenwordt de macht gecentraliseerd. En dankzij het voorgestelde verdrag houdt de regering van de EU sowieso de mogelijkheid om in te grijpen op welk gebied dan ook, dankzij artikel I-11,paragraaf 3, dat bepaalt dat de EU-regering kan optreden als ze vindt dat het handelen vaneen lidstaat "niet voldoende" is.
    • Vanwege die gedecentraliseerde/gecentraliseerde machtsstructuur zal het voor de bevolking extreem moeilijk zijn zich te organiseren om beslissingen die door het Europese Parlement en de Europese Raad van ministers genomen worden tegen te gaan. Ook al wordt er in het verdrag gesproken van de mogelijkheid de Europese Commissie tot de orde te roepen middels een petitie van minstens 1 miljoen handtekeningen, is er tevens bepaald dat die Commissie geen enkele verplichting heeft om rekenening ermee te houden. Het gaat dus enkel om het recht te worden "gehoord"...! Daarbij komt ook nog eens dat het officieel niet mogelijk is om een Europese politieke partij te hebben. Enkel politieke partijen die nationaal erkend worden kunnen een rol spelen in het Europese Parlement.
    Verder moet hierbij worden aangetekend dat, als het zou moeten, zelfs het Europese Parlement
    buitenspel kan worden gezet, dankzij het feit dat de eindbeslissing door de Raad van ministers
    wordt genomen
    (het Parlement bestaat uit afgevaardigden die rechtstreeks worden gekozen in elke lidstaat en is daarom enigszins een democratische weergave van het Europese politieke landschap; maar de Raad van ministers bestaat uit ministers van de lidstaten, hetgeen een weergave geeft die veel selectiever is en makkelijker door de elite te manipuleren).

    Daarenboven zijn er diverse organisaties die sleutelmachtsposities hebben, maar waarvoor enkel
    personen werken die niet door de bevolking zijn gekozen, zoals het geval is voor de Centrale Europese Bank en het Europese Hof van Justitie.

    Ook al is dit het geval, we zullen desalniettemin zien dat het voorgestelde verdrag
    uiteindelijk alle macht en bevoegdheden aan de Raad van ministers en de Europese Commissie toewijst.





    {jpageviews 00 right}




Met héél veel woorden NIETS zeggen: Job Cohen

maandag 29 maart 2010 13:56

Geschreven door Trefpunt Europa

PDF Afdrukken E-mailadres

Welvaart gaat over meer dan economische groei. Zorg, veiligheid, cultuur  en duurzaamheid  tellen ook mee. De financële instellingen moeten weer  dienstbaar worden.

U hebt mij destijds als burgemeester van Amsterdam gevraagd om deze lezing te houden. Inmiddels ben ik geen burgemeester meer, maar beoogd lijsttrekker van de Partij van de Arbeid voor de komende Tweede-Kamerverkiezingen. Ik houd deze lezing met niet minder plezier, integendeel, ik vind het, zeker in deze hoedanigheid, bijzonder om deze lezing in dit jaar op deze plaats uit te mogen spreken. Wij herdenken immers dat 150 jaar geleden de Friese dichter en socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra in deze stad is geboren.
Zojuist is er een schitterende biografie over hem verschenen van Piet Hagen, Politicus uit hartstocht geheten, die Troelstra bijna tastbaar in de huiskamer brengt. Troelstra was een van
de belangrijke grondleggers van de socialistische beweging en zijn leiding heeft, zo stelt zijn biograaf vast, een stempel gezet op de eerste dertig jaar van de Nederlandse sociaaldemocratie.

Zijn inspiratie en volharding hebben bijgedragen aan het succes van de arbeidersbeweging. Zijn grootste verdienste is misschien wel dat hij veel arbeiders perspectief heeft gegeven op een betere toekomst. Hij heeft niet alleen voor hun rechten gestreden, maar ze ook een plaats bezorgd in het politieke krachtenveld.

In dit opzicht lijkt Troelstra op de mannen waaraan deze lezing zijn naam ontleent: Jarich en Hendrik van der Wielen. Beide mannen, die zich erg betrokken voelden bij het vaak schrijnende lot van de arbeiders in de fabrieken en de arme plattelandsbevolking van de Noordelijke provincies, waren voorstanders van onorthodoxe maatregelen om dit lot ten goede te keren. Het idee ontstond om een school op te richten waar mensen van diverse gezindten vrijelijk met elkaar konden discussiëren, ideeën uitwisselen en toekomstplannen smeden. De eerste Volkshogeschool van Nederland was hiervan uiteindelijk het gevolg. Het is nu aan ons om nieuwe perspectieven te formuleren voor de sociale problemen van
onze tijd, al zijn de tijden en omstandigheden ingrijpend veranderd.

Wat ik vanmiddag wil doen is u eerst terug voeren naar het ontstaan van de huidige financiële en economische crisis: wat waren de oorzaken? Vervolgens schets ik een overzicht hoe we er nu voor staan: niet alleen als gevolg van de crisis, maar ook als gevolg van andere
ontwikkelingen die ons dwingen tot een maatschappelijke en economische herijking.

Ingrijpende maatregelen zijn nodig om de economische welvaart, een duurzame ontwikkeling en inzet van innovatief vermogen in een op elkaar betrokken samenleving in onderlinge samenhang voor de toekomst op een positieve manier tegemoet te zien. De vraag is dan: wat
is het leidende maatschappijbeeld daarbij? Naar mijn overtuiging is een fundamentele heroriëntatie en herijking nodig om ook op economisch terrein voldoende binding tot stand te brengen om sociale tweedeling en fragmentering tegen te gaan. Wij moeten zoeken naar
oplossingen die de economie verstevigen, het milieu verbeteren en de verbanden tussen mensen versterken.

,,"Tweedeling is een gebrekkig begrip om een proces van splitsing en fragmentering, dat zich in onze samenleving voltrekt, aan te duiden. Het tegengaan van dit proces laat zich moeizaam omschrijven als een poging tot nieuwe integratie en versterking van samenhang. De boel bij elkaar houden, dat is het dus."''

BlockQuote Author

Het ontstaan van de financiële crisis
Wat wij nu als de financiële crisis aanduiden, begon in 2006 toen in de Verenigde Staten de huizenprijzen begonnen te dalen en aan de oppervlakte kwam dat onverantwoorde risico's waren genomen bij vele hypotheekverstrekkingen. Dat leek ver weg: een Amerikaans
probleem, dat ons niet hoefde te raken. Maar in 2007 en de eerste helft van 2008 grijpt de crisis snel om zich heen. Dan blijkt dat die risicovolle Amerikaanse hypotheken op velerlei en onnavolgbare wijzen verpakt en opgedeeld, over de hele wereld zijn verhandeld en zich als een virus hebben verspreid over bijna alle grote banken in de wereld.

Onaantastbaar geachte financiële instellingen komen in de problemen omdat zij op te grote schaal met te risicovolle roducten en transacties bezig zijn geweest. De zwaarste klap komt in september 2008, als de Amerikaanse regering twee grote hypotheekinstellingen moet overnemen, en de gerenommeerde zakenbank Lehman Brothers omvalt. Vanaf dan ontstaat een wereldwijde vertrouwenscrisis. Wat niemand daadwerkelijk voor mogelijk had gehouden, gebeurt. Banken aan bijna onderuit en kunnen slechts dankzij miljarden injecties van hun nationale verheden en centrale banken worden gered. Binnen korte tijd slaat de financiële crisis over naar de reële economie. De crisis, veroorzaakt door een heel nieuw type bankiers, de snelle ongens op Wall Street, in Londen en andere financiële centra, is nu een crisis voor de gewone man in de straat.

Wat waren de achtergronden en oorzaken van deze sinds de oorlog ongekende financiële crisis? Het is belangrijk om een tandje dieper te graven om te zien welke ontwikkelingen hier aan ten grondslag lagen.

Ik noem er vijf:

1. Cultuuromslag in de financiële en zakelijke sector
Om te beginnen heeft er zich in het midden van de jaren negentig een cultuuromslag voorgedaan in de wereld van de banken. Daarvóór was een bank een tamelijk saaie onderneming, waarin langdurige relaties met bedrijven en individuele klanten centraal stonden, geen spectaculaire winsten werden geboekt en toch goede salarissen werden verdiend. De tijd van de grijze pakken. In het midden van de jaren negentig veranderde deze cultuur fundamenteel door de introductie van Angelsaksische bankiersmethoden. Snelle deals met grote fees, de opkomst van de dealmakers en risicobankiers, het steeds grotere belang dat aan de beurskoers werd gehecht, de invloed van de analisten, de bonussen, de risicovolle producten, het hoorde er allemaal opeens bij. De Raad van Bestuur raakte losser van de werkvloer en in de ban van de bonussen en de overnames. Het ‘familiegevoel’ verdween, het commitment van de medewerkers werd ondermijnd. Jeroen Smit beschrijft dat treffend in zijn
boek over ANB AMRO, De Prooi, Arnoud Boot in De ontwortelde onderneming.
Deze cultuuromslag beperkte zich overigens niet tot de banken, maar vond ook in andere delen van het bedrijfsleven plaats. Overnemen werd belangrijker dan ondernemen. Voor veel bedrijven gold: als ze geen jager waren, werden ze prooi.

2. Greed is good
Deze cultuuromslag was, en dat is de tweede ontwikkeling waarop ik wil wijzen, onderdeel van een veel bredere mentaliteitswisseling, die misschien wel het beste is getypeerd door Gordon Gekko, de hoofdpersoon van Oliver Stone’s film Wallstreet uit 1987. 'Greed is good',
hebzucht loont, is zijn motto:


˜I am not a destroyer of companies. I am a liberator of them! The point is, ladies and
gentleman, that greed, for lack of a better word, is good. Greed is right, greed works. Greed
clarifies, cuts through, and captures the essence of the evolutionary spirit. Greed, in all of its
forms; greed for life, for money, for love, knowledge has marked the upward surge of
mankind"
.

Ter bevrediging van de hebzucht mochten er zelfs grote risico's worden genomen; je was een held als je het wel en een sukkel als je het niet deed. De gematigdheid, ooit een deugd, legde het af tegen de ongeremde wens tot onmiddellijke behoeftebevrediging, tegen de
hebberigheid  niet alleen bij banken, bij dealmakers en bij activistische aandeelhouders, want de cultuur van risico's nemen is overal doorgesijpeld: in het internationale verkeer, in de pensioenfondsen en, niet te vergeten, in de individuele huishoudens.

3. Wereldwijde instabiliteit

De veranderingen in bedrijfscultuur en mentaliteit vonden plaats in een internationaal systeem dat structureel gekenmerkt wordt door gebrek aan stabiliteit. Dat komt allereerst door de zowel dominante als fragiele positie van de VS in de wereldeconomie. Wat begon met de
dollarcrisis in de jaren zeventig liep uit op een ongekende schuldeneconomie van de Verenigde Staten, nationaal en internationaal, die uitsluitend in stand kan worden gehouden dankzij de 'Bank van China'.

In de Verenigde Staten is de schuldenlast verbonden met de sterk toegenomen ongelijkheid in inkomen en vermogen, met een steeds rijker wordende bovenlaag en een wegzakkende positie van de middenklasse – een risico waar wij terdege beducht voor moeten zijn.
Verruiming van kredietmogelijkheden werd in de Verenigde Staten een aflaat voor achterblijvende inkomensontwikkeling. Wat mensen niet meer verdienden moesten ze lenen om mee te kunnen blijven doen. En ach, die huizen werden toch steeds meer waard, dus het kwam wel goed met die schulden.  Niet dus.

4. Vergaande deregulering
Het gebrek aan stabiliteit werd veroorzaakt door een allesomvattende dominantie van de neoliberale vrije markt ideologie die vergaande deregulering van markten voorstond. De financiële markten werden (ook bij ons) geliberaliseerd en gedereguleerd, zonder dat daar, zo
bleek later, voldoende systemen van checks and balances tegenover kwamen te staan. De groei en dynamiek van de financiële markten werd extra gestimuleerd door de moderne communicatie- en informatietechnologie. De les van de crisis uit de jaren dertig, dat
tegenwicht, regulering en ingrijpen van de overheid nodig is om ontsporing van de economie te voorkomen, lag te ver achter ons ten gunste van een vertrouwen op het zelfregulerende vermogen van de markt. De conclusie moet een en andermaal zijn dat zelfregulering
onvoldoende is zodra systeemrisico's in het spel zijn.

5. Onvoldoende toezicht
In de ontstane situatie van deregulering en met een groot geloof in de heilzame werking van zelfregulering bleek het toezicht op de risico's die door financiële instellingen werden genomen onvoldoende. Het toezicht door de eigen Raad van Commissarissen was hier niet op toegesneden. Dat mag nu al geconcludeerd worden uit de verhoren van de Commissie De Wit. Het toezicht op de financiële sector bleek bovendien nationaal en internationaal versnipperd en ook op Europees niveau onvoldoende gecoördineerd.

Zo is een situatie ontstaan waarin de winsten voor de bedrijven waren, de risico's voor de staat; de lusten privaat, de lasten voor de  belastingbetaler. Per saldo, zo moeten wij vaststellen, hebben samenleving, overheid en politiek veel te weinig tegenwicht geboden
tegen de vrije ontwikkeling van het casino-bankieren.
De crisis van 2008 vormde de climax van onderliggende en structurele problemen in de variant van het financële kapitalisme. Volgens   beleidsmakers en economen kan een goed systeem een ongelukje opvangen. Maar er is niet zomaar een ongelukje gebeurd: het
systeem deugde niet meer. De erkenning dat het internationale financiële systeem, en - laten we dat vooral niet vergeten - de economische theorie die er aan ten grondslag ligt, niet deugt, is fundamenteel. Zonder die erkenning, zal het snel back to business zijn, met alle risico’s
van dien.

,,Juist nu in een klimaat waarin gelijktijdig sprake is van een toenemende maatschappelijke onzekerheid én een politiek waarin culturele verschillen worden uitvergroot is een economische politiek waarin de economische verschillen en onzekerheden tussen mensen verder toenemen volstrekt onwenselijk.''

BlockQuote Author

Kortom:
De mentaliteit dat hebzucht loont, een cultuuromslag binnen bedrijven, wereldwijde instabiliteit, een structurele systeemfout door vergaande deregulering van financiële markten met onvoldoende en daardoor falend toezicht op de financiële markten hebben samen de huidige crisis veroorzaakt.

De positie van de financiële sector in de economie is veranderd van een dienende, faciliterende, naar een overheersende en, zoals wij gezien hebben, destabiliserende. Als geen ander heeft de financiële sector bovendien de macro-economie van het grote geld aan de micro-economie van het gewone geld verbonden. Dat geldt niet alleen voor de relatie van banken tot bedrijven, maar ook voor gewone spaarders die hun geld na lang werken opzij gelegd hebben. Financiële risico's zijn daarmee tot in de haarvaten van de maatschappij doorgedrongen.

In moreel, cultureel, politiek en economisch opzicht heeft de financiële factor andere belangen en gezichtspunten overwoekerd. De ontwrichtende gevolgen van deze economische ontwikkelingen dringen door in een samenleving die toch al onder druk staat.

Waar staan we nu?
Er is iets mysterieus aan de hand met de huidige financiële crisis en haar nawerking in de samenleving. Voor velen gaat het leven gewoon door, alsof er niets aan de hand is. De rijen werklozen voor de stempellokalen, de gaatjes in de fietsplaatjes, de huisuitzettingen, de gaarkeukens en de werkverschaffingsprojecten - beelden die de crisis van de jaren dertig zo`n indringend aanzien gaven - ontbreken nu. Het is als een griep zonder koorts. Het gesprek over de gevolgen van de crisis ligt de meeste inwoners van Nederland niet voor op de tong.

Toch is ook in Nederland is de situatie ernstiger dan tot het bewustzijn lijkt te zijn doorgedrongen. We hebben te maken gehad met een negatieve groei van 4 procent in 2009 minder dan in andere landen, maar toch. We hebben te maken met banken in een kwetsbare
positie, met bedrijven die de deuren hebben moeten sluiten, of met weinig florissante vooruitzichten, met jongeren die niet aan het werk komen en met een groeiende beroepsgroep van zelfstandigen zonder personeel die stevige klappen hebben gekregen in orderportefeuilles en inkomen – dat betekent in alle gevallen inkomenverlies en veel meer dan een paar jaar geleden faillissementen met alle ontwrichtende gevolgen van dien.
Dat is de situatie van nu.

Maar we weten dat de 'aftershocks', oftewel natrillingen van de financiële crisis er nog aan komen, zoals een indringende studie van de WRR beschrijft.Dan gaat het om toenemende werkloosheid, problemen in de pensioenvoorziening, politieke spanningen en - om te beginnen - met de overheidsfinanciën. De overheid, die miljarden heeft gestoken in het stutten van de banken en de financiële sector, krijgt nu de rekening gepresenteerd door tegenvallende belastinginkomsten en een oplopend begrotingstekort en liet zich inmiddels gesteld voor de vraag naar draconische bezuinigingen op de overheidsvoorzieningen. Waar kan worden gesneden?

En wat zullen daarvan de gevolgen zijn? Die vragen zullen mede de inzet van de verkiezingen zijn. De 20 ambtelijke werkgroepen die de Heroverwegingsoperatie uitmaken rapporteren op 1 april 2010, de politieke partijen werken aan hun programma voor de komende jaren. Ook de Partij van de Arbeid, maar u begrijpt dat ik daarover in deze lezing nog niet kan uitweiden.
Wat daarvan zij, burgers zullen geconfronteerd worden met de kosten van de crisis, want de overheid en de pensioenfondsen, dat zijn wij zelf, u en ik samen.
Daarbij is de overheid op dit moment niet het veilige baken waarop burgers durven te koersen. Het vertrouwen in de markt mag dan een schok hebben gekregen, staatsinterventies daarmee wat acceptabeler zijn geworden, daarmee is het vertrouwen in de overheid niet opeens - als een communicerend vat - omhoog geschoten.

De demografische context
De gevolgen van de economische crisis vallen samen met andere ontwikkelingen, die zelf al om een herijking van maatschappelijk en  economisch gedrag vragen. Ik noem een aantal dat om bijzondere aandacht vraagt, juist ook bij het bepalen van het toekomperspectief dat ik
voor mij zie.
Er voltrekken zich allereerst verreikende demografische ontwikkelingen. Tot 2030 stijgt de bevolking in Nederland met 1 miljoen – de totale bevolking zal dan 18 miljoen bedragen.
Daarna zal de bevolking zich stabiliseren en op den duur gaan krimpen. Die groei is echter onevenwichtig verdeeld over het land. In de Randstad zal de bevolking volgens de prognoses toenemen en daarmee ook een toenemende vraag naar voorzieningen in dit gebied. Andere delen van het land (in Limburg, Zeeland, en de Noordelijke provincies) krijgen met bevolkingskrimp te maken, waardoor de economische dynamiek en het voorzieningenniveau daar onder druk komen te staan.

Bovendien worden we ouder. Dat is op zichzelf niet iets om somber van te worden; wel is er alle reden om realistisch te zijn over sommige gevolgen daarvan. Die moeten we onder ogen zien en daar moeten we onze maatschappij en economie op inrichten. Zo vindt er een forse
verschuiving plaats in de verhouding tussen de actieve beroepsbevolking en diegenen die niet deelnemen aan de arbeidsmarkt. Was die verhouding in de jaren vijftig 7:1, nu is hij 4:1 en in de komende decennia zal die verschuiven naar 2:1.

Kernvragen bij deze demografische ontwikkelingen zijn:

Zijn er op den duur genoeg mensen om de economie draaiende te houden?
Zijn er genoeg mensen om aan de zorgbehoeften van een toenemend aantal ouderen tegemoet te komen?
Hoe zorg je voor een evenwichtige verdeling van de economische baten en voorzieningen over het hele land?  En last but least:
Hoe financieren wij onze voorzieningen in deze nieuwe contekst?

Economische groei te weinig gericht op duurzaamheid
Daarnaast worden we geconfronteerd met de gevolgen van een ongekende maar niet op duurzaamheid gecontroleerde economische groei. Het klimaat ondergaat ingrijpende wijzigingen. Kijk naar Midden Afrika, waar de woestijngrens zich zichtbaar verplaatst; kijk naar Groenland waar hetzelfde met de ijsgrens gebeurt. Wij trekken een wissel op de biodiversiteit; op onze fossiele brandstoffen; op de kwaliteit van onze lucht. Hoe we het ook wenden of keren, ongeremd doorgroeien is geen optie. In onze beleidsdoelstellingen klinkt al wel urgentie door, maar ons gedrag is er nog onvoldoende van doordrongen.

Maatschappelijke en politieke polarisatie
De gevolgen van de financiële en economische crisis, de demografische ontwikkeling en het milieuvraagstuk moeten bovendien worden  opgevangen in een situatie van toegenomen maatschappelijke, economische en politieke polarisatie. In het maatschappelijke verkeer evenals in opvattingen over migratie en integratie is een verharding opgetreden.
Individualisering, globalisering, secularisering - niet alleen migratie - hebben naast veel vrijheid, ook desintegrerende effecten tot gevolg gehad.

In hun onderlinge samenhang hebben deze factoren geleid tot een samenleving van individuen, die zich veelal als vreemden tot elkaar verhouden en waarin het gemeenschapselement fragiel is geworden.
Ook in de politiek zijn desintegrerende factoren zichtbaar. Allereerst in de vorm van de fragmentatie van het politieke landschap, vooral van het midden: traditionele partijen hebben hun natuurlijke aanhang verloren, veel kiezers zijn in toenemende mate 'zwevend'.

De organisatie van politiek en overheid lijkt onvoldoende toegesneden op de verlangens van de samenleving: een samenleving die om méér vraagt dan èèn keer in de vier jaar vertegenwoordigers kiezen, een samenleving die meer invloed op beleid en beleidskeuzes wil. Een andere desintegrerende factor is de wijze waarop politiek wordt bedreven: er is een harde toon met een roep om een 'keiharde aanpak', die haaks lijkt te staan op wat velen wensen: een gematigde en fatsoenlijke samenleving, waarbij tegenstellingen tussen mensen weliswaar niet worden ontkend, maar worden opgelost in plaats van aangewakkerd.

Sociaal-economische tweedeling
Ook in sociaal-economisch opzicht ontstaan scherpere scheidslijnen en grotere ongelijkheden. Zij zijn het gevolg van de introductie van nieuwe technologieën, van globalisering en internationalisering van onze economie, van hedendaagse bedrijfsstrategieën, van de invoering van marktwerking in de publieke sector en de aanpassingen in de verzorgingsstaat van de afgelopen decennia. Marcel van Dam noemt dat
de nevenschade van de bezuinigingspolitiek van de jaren tachtig en negentig. De tweedeling is ook het gevolg van verandering in waardering voor beroepen en opleidingen. Die functies die voor de samenleving van het grootste belang zijn -in de zorg, het onderwijs en bij de politie- krijgen, wat mij betreft ten onrechte, minder waardering dan vroeger. De schaduwzijde van de meritocratie, wordt er dan gezegd..

Waar het om inkomens en vermogens, kwaliteit van het werk en maatschappelijke vooruitzichten gaat, zien we een groeiende maatschappelijke ongelijkheid tussen mensen aan de onderkant van de economische ladder en die aan de bovenkant. De nieuwe tegenstellingen zijn lang niet altijd zichtbaar in de statistieken, bijvoorbeeld als het gaat om de verschillen in vermogen of de verschillen tussen de nieuwe tweeverdieners en de oude kostwinner, de uitkeringsgerechtigde of de oudere die uitsluitend AOW ontvangt.

Lange dagen
In de economie van de onderkant, maken mensen lange dagen tegen lage lonen, met flexibele contracten, in wisseldiensten, onder hoge werkdruk en soms slechte arbeidsomstandigheden, met een zwakke rechtspositie -ook voor wat betreft hun aanspraken op uitkeringen en pensioenen.

Hoe beschaafd is Nederland?
Zij hebben het gevoel dat ze te weinig waardering krijgen, ook in hun werk, ze hebben weinig perspectief om vooruit te komen, hebben moeilijk toegang tot private en publieke basisvoorzieningen – en vooral: kunnen moeilijk rondkomen van hun salaris. Kijk naar de schoonmakers (bij de NS, op Schiphol) die al wekenlang in staking zijn.

Daartegenover staat een economie van de bovenkant, die in alles het spiegelbeeld is van de economie van de onderkant: goede salarissen (in sommige sectoren aangevuld met riante prestatiebonussen), luxe arbeidsomstandigheden, goede regelingen voor werkloosheid en pensioen, afvloeiingsregelingen inclusief 'gouden handdrukken' en uitstekende toegang tot private en publieke voorzieningen. Ja, ook hier is stress, maar daar staan wel aanzienlijk betere arbeidsvoorwaarden tegenover en de mogelijkheid om je overal tegen te verzekeren.
Daartussenin staat een brede middenklasse die van beide kanten steeds meer onder druk komt te staan als gevolg van de ontwikkelingen die ik beschreef - een verschijnsel dat in de Verenigde Staten al veel langer aan de gang is, en dat heeft geleid tot een uitholling van de middenklasse.

Knel
De lagere middeninkomens dreigen in de knel te komen: met forse lasten voor huis, levensonderhoud en vervoer en de kosten voor de  pvoeding van kinderen, gekoppeld aan toenemende concurrentiestrijd op de arbeidsmarkt, houdt men het maar net vol. Hogere middeninkomens zijn de aansluiting met de top verloren en hebben het gevoel dat zij door de overheid flink aangeslagen worden terwijl de kwaliteit van de   verheidsvoorzieningen er nauwelijks op vooruit lijkt te gaan.
Uit een groot Europees onderzoek uit 2004, het zogenaamde SIREN-rapport, blijkt dat de 'gewone werknemer' zich van vele kanten bedreigd voelt. Er is wat je met een mooie term `globaliseringspijn' kunt noemen: werk verdwijnt naar het buitenland, en er komt meestal
geen vergelijkbaar werk voor terug. Er is al jarenlang sprake van permanente reorganisaties, van herstructurering van bedrijfstakken en nieuwe stijlen van management, met een groot effect op de houding van werknemers. Wat groot verdriet oplevert is de veroudering van diploma's, van kennis en vaardigheden. Angst voor sociale daling of declassering en boosheid over gebrek aan waardering en respect zijn sleutelbegrippen in dit onderzoek.

Niet alleen in de private sector, ook in de publieke dienstverlening staat het werk van de (lagere) middenklasse onder druk. De frontsoldaten van onze maatschappij (politieagenten, onderwijzers, zorgverleners) hebben enerzijds te maken met toenemende eisen, agressie en ongeremdheid vanuit de maatschappij. Anderzijds worden zij geconfronteerd met nieuwe methoden en managementlagen, reorganisaties, marktwerking,  gedetailleerde verantwoordingsvragen en toenemende regeldruk.

Werknemers ervaren dikwijls een gebrek aan erkenning voor hun harde werken. Opleiding speelt een steeds beslissender rol voor maatschappelijke mogelijkheden en succes en draagt krachtig bij aan de hier beschreven fragmentering en tweedeling. De kloof tussen hoogopgeleiden en lageropgeleiden is gegroeid en zal mogelijk blijven groeien doordat mensen voor huwelijk, vriendschap en relaties andere mensen uitkiezen met een vergelijkbaar patroon.

Er ontstaat zo een breuk met het maatschappijmodel dat na de oorlog met zorg en gezamenlijke inspanning is opgebouwd. Daarin waren er allerlei mogelijkheden voor opwaartse mobiliteit: via school en opleiding, via het werk, door te verhuizen naar een andere buurt, door een grotere welvaart - en doordat de kinderen een stap verder konden doen. Dat kan nog steeds en je ziet het ook om je heen gebeuren, maar het vraagt wel veel aandacht.
Niet voor niets is de wens om deel uit te maken van een middenklasse met alle maatschappelijke ontplooiingskansen die daarbij horen een van de speerpunten van de veranderingsagenda van President Obama.

Kortom: in het licht van de nawerking van de crisis en een aantal maatschappelijke trends is een verandering van politiek perspectief nodig. Herijken we onze gedragspatronen niet, dan leggen wij een (te) zware hypotheek op onze toekomst en die van onze kinderen; groeien de
bestaande tegenstellingen in onze maatschappij verder door; blijven we met markten zitten die zichzelf niet corrigeren en evenmin in toom worden gehouden door een stevig overheidstoezicht; en zijn we onvoldoende responsief voor de veranderingen in de internationale omgeving.

Veerkrachtig door verbinding

Ik keer terug naar de vraag die verborgen ligt in de titel van deze lezing. Welke kansen biedt de financiële crisis voor onze samenleving? Welke perspectieven zijn er? We naderen een kruising, in werkelijkheid met grotere snelheid dan we op de kilometerteller zien staan.

De geschiedenis leert dat elke economische crisis op zichzelf een beproeving is en dat het antwoord op die beproeving de weg kan wijzen naar een nieuw tijdperk. De geschiedenis leert ook dat dit niet '˜vanzelf' gebeurt. Het vraagt om een gedegen analyse van de problematiek, heldere uitgangspunten, het nemen van de maatregelen die nodig zijn en de bereidheid om dit samen met anderen te doen.

Mijn centrale uitgangspunt is allereerst dat verbinden, het bevorderen van samenhang, essentieel is. Wij hebben een lotsverbondenheid in een gezamenlijke toekomst van onze samenleving, onze democratie en onze economie.

De desintegrerende sociaal-culturele krachten in onze samenleving, zo heb ik eerder betoogd, zullen we tegemoet moeten treden door herstel van vertrouwen in, en verantwoordelijkheid voor, elkaar. Dat begint door - zoals Lodewijk Asscher dat in De ontsluierde stad heeft geformuleerd - empathie voor elkaar te hebben, door duidelijke grenzen te stellen de rechtstaat is ons kader!- en daarbinnen elkaar ruimte te geven. Dat is
ook een economische noodzaak. Op basis van de ontwikkelingen die ik eerder schetste is het eenvoudigweg onmogelijk en economisch  onverantwoord om grote groepen in de samenleving aan de kant te laten staan. Dat vraagt om een urgent besef dat iedereen maar
dan ook echt iedereen - nodig is, zeker de komende jaren.

Op de proef
Onze democratie wordt op de proef gesteld door weglekkende verantwoordelijkheden, een te bedrijfsmatige organisatie van de overheid en een vergaande verzakelijking van de relatie tussen overheid en burger. Burgers zijn klanten geworden. Onze taak is om de democratie te
herstellen als een krachtig bindmiddel voor groepen en individuen in de samenleving - juist omdat ieder individu uitgedaagd wordt om samen met anderen aan gemeenschappelijke doelen te werken - en meningsverschillen vreedzaam te beslechten. Democratie is burgerbestuur: bestuur van, voor en door burgers dat gericht is op collectieve wilsvorming ten bate van de opbouw van de samenleving. Verantwoordelijkheid nemen en verantwoording afleggen voor genomen besluiten door de gekozen burgerbestuurders hoort daar onlosmakelijk bij.

Burgers moeten politici vertrouwen, politici moeten burgers vertrouwen. Al was het maar omdat democratie een systeem is waarbij burgers zichzelf regeren.
Ook in sociaal-economisch opzicht is 'de boel bij elkaar houden' een essentieel uitgangspunt van de sociaal-democratie. Laat ik daarvoor terugkeren naar de oorsprong van dit citaat. Het is afkomstig van Joop den Uyl en vaak is aangenomen dat deze vooral duidt op de culturele
verschillen in de maatschappij: tijdens de Algemene Beschouwingen van 1984 had Den Uyl gesproken van een dreigende tweedeling in de samenleving: 'Steeds diepere kloven tekenen zich af, tussen werkenden en hen die van het arbeidsproces zijn uitgesloten' , zo zei hij.

Tussen hen, die uitzicht hebben op inkomensverbetering en hen die in koopkracht achteruitgaan. Tussen degenen die kansen hebben om deel te nemen aan nieuwe ontwikkelingen in techniek en economie en hen voor wie de poort naar de toekomst gesloten lijkt.  Den Uyl kreeg kritiek, van wetenschappelijke en politieke zijde, op zijn uiteenzetting die met iets te rigide vond. In 1985 koos hij daarom de volgende woorden toen hij schreef:
"Tweedeling is een gebrekkig begrip om een proces van splitsing en fragmentering, dat zich in onze samenleving voltrekt, aan te duiden. Het tegengaan van dit proces laat zich moeizaam omschrijven als een poging tot nieuwe integratie en versterking van samenhang. De boel bij
elkaar houden, dat is het dus."

In 2010 is de kern van deze opgave niet wezenlijk veranderd, en de urgentie is groot. Het vinden en vormen van nieuwe loyaliteiten is ook nu niet eenvoudig. Juist nu in een klimaat waarin gelijktijdig sprake is van een toenemende maatschappelijke onzekerheid én een politiek waarin culturele verschillen worden uitvergroot is een economische politiek waarin de economische verschillen en onzekerheden tussen mensen verder toenemen volstrekt onwenselijk.

Met elkaar delen, onderlinge verbinding en betrokkenheid zijn niet alleen een teken van beschaving, maar ook een voorwaarde voor economische veerkracht. Dat geldt voor evenwichtige inkomensverhoudingen evenzeer als voor onderlinge betrekkingen in de
onderneming, voor nationale arbeidsverhoudingen evenzeer als voor een fair sociaal zekerheidsstelsel, voor een eerlijke balans tussen ouderen en jongeren evenzeer als voor een open oog voor de verschillen tussen rijke en arme regio's en landen.

Onderling
Economische vooruitgang begint bij onderlinge samenhang, een maatschappij waarin iedereen wordt gestimuleerd en geholpen om mee te doen, er bij te horen en er uit te halen wat er in zit - ongeacht leeftijd, postcodegebied of herkomst.
Een samenleving die de onderkant en de bovenkant verbindt en de werkzoekende evenzeer aanspreekt op zijn of haar maatschappelijke verantwoordelijkheid als de bestuurder van een bedrijf. Een samenleving met fijnmazige diagonale verbindingen, met wetten en regels die
voor iedereen gelijk zijn. Geen krachtige economie zonder een veerkrachtige samenleving binnen de grenzen van onze rechtstaat.

Perspectief na de crisis

Een succesvolle aanpak van de crisis vraagt naast betere maatschappelijke verhoudingen, om een fundamentele heroriëntatie op de economie en de rol van de overheid. Innovatie en ondernemerschap zijn nodig om onze economie sterk en dynamisch te houden, duurzaam te
maken en onze welvaart op peil te houden, of te verbeteren. De belangrijkste opgave waar we voor staan is om methoden en oplossingen te vinden die tegelijkertijd de economie versterken, het milieu verbeteren en de verbanden tussen mensen versterken. Daarbij past een zelfbewuste overheid om een helder kader te bieden voor publieke voorzieningen en ordening van markten.

Wouter Bos gaf in zijn Den Uyl-lezing een stevige aanzet daartoe. In aanvulling daarop noem ik de volgende punten, die tevens een oriëntatie kunnen bieden voor een koers na de crisis.

Een nieuwe rol voor de financiële sector

We kunnen nu al wel enige lessen trekken uit de ineenstorting van het geliberaliseerde financiële bouwwerk. Er is ordening, regulering en toezicht nodig - ook internationaal, en in het bijzonder Europees - die de financiële factor terugbrengt in onze economie tot de rol die
zij zou moeten spelen: dienstbaar en faciliterend. Nieuwe checks en balances, dus, erop gericht om risico's tot hanteerbare proporties terug te brengen. Dan gaat het om de terugkeer van de nutsfunctie, zodat iedereen onder fatsoenlijke condities kan beschikken over een
betaalrekening zonder het risico te lopen dat zijn geld verdwijnt door riskante manoeuvres. Scheiding van consumentenbankieren en zakenbankieren, reductie van de omvang van banken: het zijn even zovele ideeën die de moeite waard zijn om te toetsen op hun
bruikbaarheid.

Heroriëntatie
Wezenlijk is verder een heroriëntatie op het bestuur van de banken - en van de beursgenoteerde ondernemingen in het algemeen. De onderneming is geen koopwaar, die willekeurig kan worden opgesplitst. De onderneming is een samenwerkingsverband, een organisch tot stand gekomen weefsel, waarin een evenwichtige vertegenwoordiging van de verschillende belangen centraal hoort te staan, waaronder uiteraard die van de werknemers.
Er is een stabiele, op lange termijn gerichte aandeelhoudersstructuur nodig - waaraan de pensioenfondsen een positieve bijdrage zouden kunnen leveren. De huidige bonuspraktijk heeft perverse effecten, datzelfde geldt voor de rol van private equity en hedge funds.
Innovatie, ondernemerschap en duurzaamheid. We hebben een economie nodig waarin niet overnemen een belangrijke factor is, maar
waarin ondernemen, vakmanschap en innovatie gedijen. De overheid zit daarbij niet aan de knoppen -echte innovaties vinden elders plaats-, maar de overheid kan wel met gerichte bijdragen onze economie versterken. Bedrijven, ondernemers en kennisnetwerken zouden in
het bijzonder gestimuleerd moeten worden om te komen tot de ontwikkeling en het gebruik van producten en diensten die over hun hele levenscyclus zo duurzaam mogelijk zijn.

Investeringen in onderzoek en ontwikkeling, alsmede de uitwisseling tussen kennisinstellingen en ondernemingen – wij zijn daar in Nederland lang niet goed genoeg in-  is cruciaal en kan dus nog wel een helpende hand gebruiken. Regionale en lokale overheden kunnen daarbij  bovendien een rol spelen, zoals het milieubeleid van de gemeente Leeuwarden en de vestiging van Wetsus als centrum van watertechnologie laten zien.
Innovatie is niet een voor de private sector gereserveerd thema - ook de overheid kan daaraan bijdragen, bijvoorbeeld door de wijze waarop zij opdrachten verschaft, maar ook in eigen huis. Daarbij zouden we ook terug kunnen grijpen op bewezen succesvolle concepten van vroeger.

Retro-innovatie noemt wethouder Bert Otten uit Hengelo dat: Vaak kunnen oude recepten in een nieuw jasje heel effectief zijn. Denk aan de introductie van de buurt- en wijkzorg, de terugkeer van de wijkverpleegster en nieuwe vormen van gesubsidieerde arbeid.
Ondernemerschap betekent in onze tijd niet meer vanzelfsprekend: werkgeverschap. Er zijn inmiddels bijna een miljoen ondernemers zonder personeel, vaak vakmensen, die tijdens de crisis forse klappen hebben moeten opvangen. Onze regeling op het gebied van pensioenen,
bescherming in geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid zijn niet op hen toegesneden - maar zij horen wel onderdeel te worden van bescherming en zekerheden die wij anderen wel bieden in onze verzorgingsstaat.

Arbeid, stijgingskansen en onderwijs

De idealen van zinvolle en gerespecteerde arbeid, de mogelijkheid om vooruit te kunnen komen en onderwijs dat de veilige omgeving biedt om het beste uit je zelf te halen zijn actueler dan ooit. Maar de trends wijzen tot nu toe in een andere richting. In de huidige discussies over arbeid en arbeidsrecht is het financieel-economische perspectief vaak leidend.
Fundamenteel in onze heroriëntatie is om deze trends ten goede te keren. Dat betekent gematigde inkomensverschillen, vasthouden aan het principe dat de sterkste schouders ook werkelijk de zwaarste lasten dragen, zonder onaanvaardbare uitschieters aan bovenkant en
onderkant. Dat betekent opnieuw aandacht voor de rechten van werkenden en de kwaliteit van werk en werkomgeving. Politieke partijen kunnen daar direct een bijdrage aan leveren door de kwaliteit van het werk in de publieke sector - en vooral voor de frontlijnwerkers - te
verbeteren. Het extra geld voor het onderwijs en de politie-CAO van de afgelopen jaren waren daar al voorbeelden van.

Dat betekent ook de mogelijkheden scheppen om vooruit te komen - door opleiding en scholing bijvoorbeeld. Daarvoor is een herwaardering van vakmanschap en ambachtelijkheid wenselijk. We hebben niet alleen behoefte aan ingenieurs, maar ook aan monteurs. Een fundamentele herwaardering en verbetering van de kwaliteit van onderwijs op het VMBO en MBO behoort tot zo'n perspectief. De kiemen daarvoor lijken gelegd, het is nu zaak om die tot wasdom te brengen.

Een breder welvaartsbegrip
Onze welvaart wordt eigenlijk vooral gemeten in termen van economische groei. Het is de hoogste tijd om daaraan andere elementen toe te voegen, en terecht heeft Wouter Bos daarvoor de weg geplaveid in zijn Den Uyl-lezing. ˜In de geduldige cijfers van het nationale inkomen', zei diezelfde Den Uyl op het congres van de PvdA in 1963, 'telt de electrische tandenborstel evenzeer als de verpleeghulp, de reclame-uitgaven voor het definitieve kalmeringsmiddel evenzeer als de entreeprijzen voor de schouwburg, het commissarissentantiëme evenzeer als de blindenrente. Groei van het nationale inkomen per hoofd van de bevolking op zichzelf is geen waarborg voor het welzijn, voor de verbetering van de kwaliteit van het bestaan.

Daaraan voeg ik nu toe, dat een goede combinatie van werk en zorg, de veiligheid van onze omgeving, duurzaamheid, de rijkdom van kunst en cultuur en een goede bereikbaarheid evenzeer bijdragen aan de kwaliteit van ons leven en onze welvaart als het verdiende
inkomen alleen. Levensgeluk wordt niet uitgedrukt in euro's.

Een zelfbewuste overheid
De wijze waarop in het recente verleden publieke taken zijn georganiseerd behoeft werkelijk bijstelling. Wij hebben de afgelopen jaren een aantal taken op afstand geplaatst dan wel aan de markt overgelaten, zonder de organisatie van publieke zeggenschap en verantwoording goed te regelen. Daardoor is een democratisch tekort ontstaan. Voorafgaand aan besluitvorming om taken op afstand of in de markt te plaatsen moet daarom getoetst worden of de publieke zeggenschap, verantwoordelijkheid en verantwoording afdoende geregeld zijn.
Wegen de gewenste doelmatigheid- of efficiency voordelen niet op tegen de kosten ervan, bijvoorbeeld in termen van publieke verantwoording, dan kan de consequentie zijn dat een bepaalde publieke taak niet aan de markt wordt toevertrouwd - of zelfs terug wordt gehaald naar het publieke domein.

Wij hebben na het neo-liberale tijdperk voor alles een zelfbewuste overheid nodig. De overheid is de hoeder van de publieke zaak in naam van de burgers, van ons allen. De overheid heeft de bevoegdheid om algemeen verbindende regels te stellen en deze af te dwingen, belasting te heffen en collectieve voorzieningen te verzorgen. Die publieke taken  worden door en in het democratisch bestel gelegitimeerd. Als hoeder van de publieke zaak komt de overheid de organisatie van de publieke zeggenschap en de publieke verantwoording hierover toe. Zij hoort bij de als publiek gedefinieerde zaken de touwtjes stevig in handen te houden. Essentieel is daarbij: the law is the law.

Tot slot

Nederland staat op een wezenlijk moment in zijn politieke geschiedenis - op een tweesprong.
De centrale vraag voor de komende verkiezingen - en ver voorbij deze - zou moeten zijn: in wat voor maatschappij willen wij leven? Kiezen we voor een maatschappij van het brede maatschappelijke midden, waarin sociale mobiliteit een wenkend perspectief is? Met een sterke, ondernemende, innovatieve, groene economie?
Waarin verantwoordelijk burgerschap wordt gevraagd van beneden, maar minstens evenzeer van boven? Een maatschappij die grenzen stelt aan het geld, die ondernemen stimuleert in plaats van overnemen, die aan arbeid een centrale plaats toekent waar mensen waardering vinden, die dus investeert in het opleiden van ingenieurs en monteurs, die de publieke sector niet als een vijand ziet maar als essentieel -maar wel in de hand te houden- onderdeel van ons welzijn, die niet alleen wil bezuinigen, maar lasten eerlijk wil verdelen om belangrijke voorzieningen in stand te houden, die bevordert dat iedereen een bijdrage aan de maatschappij kan leveren en dat daadwerkelijk doet, en die pluriformiteit binnen de grenzen van de rechtsstaat als uitgangspunt van een democratische rechtsorde ziet?.

De vraag is te herformuleren in keuzetermen van het Centraal Planbureau: hoe beschaafd is Nederland? Kiezen we voor een gepolariseerd model in cultureel en economisch opzicht? Een model waarin het wij-zij perspectief domineert en migranten als permanente indringers
worden beschouwd die er niet bij horen? Een Angelsaksisch economisch model waarin ongelijkheid in inkomen en vermogen ongeremd toenemen en de publieke sector onmachtig wordt gemaakt? Of kiezen we voor een Europees model, met gematigde inkomens- en
vermogensverschillen, een betekenisvolle publieke sector, een stevig sociaal zekerheidsstelsel, dat burgerschap en participatie centraal stelt?

Mijn antwoord daarop heb ik u hier vanmiddag gegeven.


De financiële crisis voorbij: kansen voor onze samenleving
.
Van der Wielen Lezing 2010
door Job Cohen
Uitgesproken op vrijdag 26 maart 2010
In Leeuwarden





dit artikel werd 6230 maal gelezen




Maak uw keuze: